
Het centrale thema van de presentatie is dat de huidige mondiale klimaatmodellen de natuurlijke klimaatvariabiliteit onvoldoende weergeven. In plaats van te beweren dat menselijke activiteiten geen rol spelen bij klimaatverandering, stelt Scafetta dat de bijdrage van natuurlijke processen aanzienlijk is onderschat, wat heeft geleid tot een overschatting van de klimaatgevoeligheid voor broeikasgassen. Zoals hij samenvat: “De IPCC-beoordelingen hebben ernstige beperkingen omdat deze modellen de natuurlijke variabiliteit over meerdere tijdschalen niet echt weergeven.”
Scafetta begint met het plaatsen van de moderne klimaatverandering binnen de lange geologische geschiedenis van de aarde. Het klimaat, zo stelt hij, is nooit statisch geweest. Gedurende honderden miljoenen jaren heeft de aarde afwisselend warme en koude periodes doorgemaakt die qua omvang de moderne opwarming ver overtroffen. Belangrijker nog is dat klimaatgegevens schommelingen aan het licht brengen die zich over een breed scala aan tijdschalen voordoen – van jaarlijkse en grotere cycli tot variaties van duizenden en zelfs miljoenen jaren. Veel van deze cycli komen overeen met astronomische verschijnselen, waaronder variaties in de baan van de aarde, zonneactiviteit en oceaanschommelingen.
Historisch perspectief
Dit historische perspectief vormt de basis van zijn kritiek op de huidige klimaatstudies. Voordat wetenschappers kunnen vaststellen in hoeverre de recente opwarming door menselijke activiteiten wordt veroorzaakt, moeten zij eerst de volledige omvang van de natuurlijke klimaatvariabiliteit begrijpen. Hoewel hij erkent dat stijgende concentraties van broeikasgassen naar verwachting het klimaat zullen beïnvloeden, is Scafetta van mening dat het natuurlijke achtergrondsignaal nog onvolledig wordt begrepen.
Vervolgens richt hij zich op het attributiekader dat door het IPCC wordt gebruikt. Hij legt uit dat het laatste IPCC-rapport concludeert dat vrijwel alle waargenomen opwarming sinds het einde van de negentiende eeuw toe te schrijven is aan menselijke invloed, terwijl natuurlijke factoren zoals variabiliteit van de zon, vulkanische activiteit en interne klimaatvariabiliteit weinig of niets bijdragen aan de opwarmingstrend op de lange termijn.
Deze conclusie berust vrijwel volledig op simulaties die zijn geproduceerd door mondiale klimaatmodellen. Deze modellen worden onder twee verschillende omstandigheden gedraaid: de ene omvat zowel antropogene als natuurlijke forcering, en de andere omvat uitsluitend natuurlijke forcering. In het laatste geval produceren de modellen vrijwel geen opwarming sinds 1850, terwijl opwarming pas optreedt wanneer antropogene broeikasgasemissies worden meegenomen. Het IPCC concludeert daarom dat de recente opwarming vrijwel volledig door de mens is veroorzaakt.
Scafetta stelt dat deze redenering een fundamentele methodologische zwakte vertoont. De simulaties met ‘uitsluitend natuurlijke forcering’ kunnen niet onafhankelijk worden gevalideerd, omdat er uiteraard geen observaties bestaan van een aarde zonder menselijke invloed waaraan de simulaties kunnen worden getoetst. Bijgevolg is de toeschrijving uiteindelijk gebaseerd op modelveronderstellingen in plaats van op directe empirische verificatie.
Deze kritiek vormt een van de centrale argumenten van Scafetta. Hij benadrukt herhaaldelijk dat modelresultaten niet verward mogen worden met experimenteel geverifieerde wetenschappelijke feiten. In plaats daarvan typeert hij ze als hypotheses waarvan de geloofwaardigheid afhangt van hoe goed ze het waargenomen klimaatgedrag weergeven.
Klimaatgevoeligheid
Een belangrijke bron van onzekerheid betreft de klimaatgevoeligheid – de mate van opwarming op lange termijn die wordt verwacht nadat de concentraties van kooldioxide in de atmosfeer zijn verdubbeld. Hoewel het broeikaseffect van kooldioxide algemeen aanvaard is, blijven er grote onzekerheden bestaan bij het inschatten van klimaat-feedbacks, met name die waarbij wolken een rol spelen.
Wolkenprocessen, zo legt hij uit, hebben een sterke invloed op de mate van extra opwarming die optreedt na een initiële stralingsverstoring. Toch blijft het moeilijk om de dynamiek van wolken nauwkeurig te modelleren, en na enkele decennia van ontwikkeling van klimaatmodellen, is het geschatte bereik van de klimaatgevoeligheid niet wezenlijk smaller geworden.
Deze aanhoudende onzekerheid roept vragen op over de mate van vertrouwen die kan worden gesteld in modelprognoses met een hoge gevoeligheid. Hij merkt op dat verschillende klimaatmodellen gevoeligheden opleveren die variëren van ongeveer 1,8 °C tot meer dan 5,5 °C bij een verdubbeling van de CO2-concentratie in de atmosfeer. Dit is een opmerkelijk grote spreiding voor modellen die bedoeld zijn om hetzelfde fysische klimaatsysteem weer te geven.
Hij haalt ook studies aan die suggereren dat verschillende van de nieuwste generatie mondiale klimaatmodellen een opwarming voorspellen die systematisch hoger is dan waargenomen. Modellen met een lagere klimaatgevoeligheid komen over het algemeen beter overeen met de beschikbare observatiegegevens, terwijl de modellen met een hogere gevoeligheid de opwarmingstrends vaak overdrijven.
Urban Heat Island
Scafetta gaat verder met het bespreken van observaties die aanvullende zwakke punten in de huidige klimaatmodellen aan het licht brengen. Een voorbeeld hiervan is de discrepantie tussen temperatuurmetingen via satellieten en temperatuurregistraties aan het aardoppervlak. Satellietwaarnemingen van de lagere troposfeer wijzen over het algemeen op minder opwarming dan datasets op basis van metingen aan het aardoppervlak, met name boven land. Aangezien satelliet- en zeeoppervlakte-waarnemingen boven de oceanen veel beter met elkaar overeenkomen, is een deel van de sterkere opwarming boven land waarschijnlijk het gevolg van niet-klimatologische invloeden, zoals het Urban Heat Island effect.
Scafetta’s bredere kritiek betreft het vermogen van mondiale klimaatmodellen om bekende klimaatschommelingen uit het verleden te reproduceren. Hij stelt dat als de modellen belangrijke historische warme periodes die vóór de industrialisatie plaatsvonden niet nauwkeurig kunnen simuleren, ze waarschijnlijk belangrijke fysische mechanismen missen die ook het moderne klimaat beïnvloeden.
Hij richt zich eerst op de Middeleeuwse Warme Periode. Temperatuurreconstructies wijzen erop dat er tussen ongeveer 900 en 1300 n. Chr. sprake was van aanzienlijke regionale opwarming. Toch, zo stelt hij, slagen de huidige klimaatmodellen er niet in deze gebeurtenis overtuigend weer te geven. Als dergelijke natuurlijk voorkomende warme periodes niet door de modellen kunnen worden nagebootst, zo redeneert hij, dan moeten de modellen belangrijke bronnen van natuurlijke variabiliteit buiten beschouwing laten: “De modellen zijn volstrekt niet in staat om natuurlijke klimaatvariabiliteit weer te geven, in het bijzonder de warme periodes uit het verleden.”
Hij breidt hetzelfde argument uit naar het zogenoemde Holoceen Thermisch Maximum van ongeveer 6.000 tot 8.000 jaar geleden, toen volgens veel klimaatreconstructies de temperaturen in verschillende regio’s hoger lagen dan die van de twintigste eeuw. Omdat de CO2-concentraties in de atmosfeer in die periode lager waren dan vandaag, kunnen deze warme omstandigheden niet eenvoudigweg worden verklaard door het broeikaseffect. Hij concludeert dat aanvullende natuurlijke mechanismen aanzienlijk moeten hebben bijgedragen aan de klimaatontwikkeling op de lange termijn.
Variabiliteit van de zon
Een terugkerend thema in de presentatie is de rol van zonnevariabiliteit. Volgens Scafetta kent het IPCC slechts een zeer kleine bijdrage toe aan veranderingen in de zonneactiviteit sinds de negentiende eeuw. Maar talrijke paleo-klimaatgegevens laten sterke correlaties zien tussen gereconstrueerde zonneactiviteit en langetermijn-klimaatveranderingen over eeuwen en millennia.
Een reden hiervoor is dat klimaatmodellen uitgaan van reconstructies van de zonnestraling die relatief weinig variabiliteit op de lange termijn laten zien. Andere gepubliceerde reconstructies wijzen op aanzienlijk grotere veranderingen in de zonne-output. Omdat de keuze van de zonne-dataset rechtstreeks van invloed is op de modelresultaten, stelt Scafetta dat de bijdrage van de zon wellicht vanaf het begin is onderschat.
Hij stelt ook dat invloeden van de zon mogelijk werken via mechanismen die verder gaan dan alleen veranderingen in de totale zonnestraling. Hij bespreekt met name de hypothese dat variaties in de magnetische activiteit van de zon de flux van kosmische straling die de atmosfeer van de aarde bereikt, moduleren. Deze veranderingen zouden op hun beurt de wolkenvorming kunnen beïnvloeden en daardoor de energiebalans van de aarde kunnen wijzigen. Hoewel hij erkent dat dit mechanisme nog steeds het onderwerp is van een voortdurend wetenschappelijk debat, stelt Scafetta dat het veel meer aandacht verdient dan het momenteel krijgt in de gangbare klimaatmodellering.
Cycli
Voortbouwend op deze ideeën presenteert hij een reeks empirische klimaatmodellen waarin natuurlijke oscillaties zijn verwerkt, waaronder zonnecycli met een looptijd van meerdere decennia en millennia. Volgens Scafetta geven deze empirische modellen de waargenomen temperatuurschommelingen nauwkeuriger weer dan conventionele mondiale klimaatmodellen, met name kenmerken zoals de opwarming in het begin van de twintigste eeuw, de afkoeling halverwege de eeuw en de oscillatie van ongeveer 60 jaar die in verschillende observatie-datasets zichtbaar is.
Hij stelt dat het meenemen van een grotere natuurlijke variabiliteit het aandeel van de recente opwarming dat wordt toegeschreven aan antropogene broeikasgassen vermindert, terwijl de menselijke bijdrage nog steeds wordt erkend. In zijn interpretatie zijn zowel natuurlijke als antropogene invloeden belangrijk, terwijl de huidige IPCC-modellen te weinig gewicht toekennen aan natuurlijke factoren.
Scafetta vat zijn standpunt als volgt samen: “Het is mogelijk om klimaatverandering te modelleren door uit te gaan van de natuurlijke cycli. De antropogene component is veel kleiner dan wat het IPCC veronderstelt.”
Deze wetenschappelijke argumenten leiden uiteindelijk tot beleidsconclusies. Omdat Scafetta van mening is dat de huidige klimaatmodellen de toekomstige opwarming systematisch overschatten, stelt hij dat het bereiken van de doelstellingen van het Akkoord van Parijs wellicht geen onmiddellijke wereldwijde netto-nul uitstoot vereist. Op basis van realistischere emissietrajecten, in combinatie met klimaatmodellen die rekening houden met een sterkere natuurlijke variabiliteit, concludeert hij dat de toekomstige opwarming onder de 2 °C zou kunnen blijven zonder de strengste mitigatiescenario’s. Bijgevolg pleit hij voor een grotere nadruk op aanpassing in plaats van snelle decarbonisatie.
De kritiek van Scafetta is niet in de eerste plaats gericht op het bestaan van antropogene opwarming, maar op de omvang die daar in bestaande modellen aan wordt toegekend. Hij stelt dat onopgeloste onzekerheden rond wolkenfeedback, klimaatgevoeligheid, historische temperatuurreconstructies, zonnestraling en klimaatschommelingen over meerdere decennia erop wijzen dat de huidige modellen nog steeds onvolledige weergaven van het klimaatsysteem zijn.
Source: https://clintel.nl/nicola-scafetta-klimaatmodellen/
.
