• do. okt 22nd, 2026

Het Nieuws Maar Dan Anders,

Anders Hoor Je Het Niet!

De eerder besproken prognoses van het Actuarieel Genootschap hebben rechtstreekse financiële gevolgen door in berekeningen die ons allemaal raken. In het verleden hebben we te maken gehad met steeds verder dalende sterftekansen met een verhoging van de levensverwachting als gevolg. Premies werden verhoogd, pensioenen kwamen onder druk te staan, de pensioengerechtigde leeftijd werd verhoogd. door actuarissen vastgesteld. De verlaagde levensverwachting leidt vooralsnog niet tot aanpassingen in de tegenovergestelde richting.

In de nieuwe prognosetafel AG2026 heeft het AG de verwachtingen over de toekomstige sterfte ingrijpend bijgesteld – naar boven.

  • De oversterfte treft nu alle leeftijden, niet meer alleen de modelmatig gangbare 55-plussers.
  • Een kwart van de huidige oversterfte wordt voortaan als structureel beschouwd.
  • De veronderstelde jaarlijkse afname van de oversterfte is teruggebracht van 50% afname per jaar (AG2022) via 25% (AG2024) naar slechts 5% in AG2026.

Daarmee verdampen de inprijzingen van eerdere aannames over de toekomstige sterfte. De levensverwachting daalt significant met ca. 5 maanden.

Financieel

Wat gebeurt er wanneer zulke ingrijpende wijzigingen in de prognoses worden doorberekend? En hoe groot is de invloed van deze modelkeuzes op financiële verplichtingen? En hoe gaan ze in onze buurlanden daarmee om?

Als het echt heel veel geld zou kosten, zou je van onze bestuurders toch wat meer interesse voor het onderwerp verwachten. In de media maar vooral in de politiek. Dus ik vroeg voor de verandering Gemini eens, puur ter oriëntatie naar de financiële consequenties. De -licht geredigeerde- output volgt in de kaders onderaan. Ik plaats de complete threads in de voetnoten maar die zijn (op wat herhalingen, onnodige bijvoeglijke naamwoorden en obligate complimenten na) nagenoeg letterlijk overgenomen.

Waar het op neerkomt is dat de gestaag stijgende levensverwachting in 2020 en 2021 met ca. 5 maanden is ingeklapt en sindsdien veel langzamer opkrabbelt dan verwacht. Dat opkrabbelen lijkt nu weliswaar iets sneller te gaan dan het zich aanvankelijk liet aanzien maar het zal nog jaren duren voor we weer op de oude trendlijn zitten. Het Actuarieel Genootschap verwacht nu zelfs dat we structureel, voor onbepaalde tijd, onder die lijn zullen blijven. De situatie is nu vijf, bijna zes jaar gaande.

Gemini rekende het eens door met een hypothetische daling van de levensverwachting van 1 JAAR en kwam op een voordeel in de ordegrootte van 40-50 miljard. (Ik had beter 1 maand kunnen nemen, 1 jaar is absurd veel)

Ik heb Claude een schatting laten maken van 1 maand. Het korte antwoord over het netto jaar-effect van 1 MAAND daling in levensverwachting: “een eenmalige post van ca. €4-5 miljard bij pensioenen en jaarlijks ongeveer €0,3 miljard per jaar minder AOW-uitgaven, wat in kasstroom op zo’n €0,5 miljard per jaar neerkomt, ruim 0,04% van het bbp.”

€4,5 miljard per maand komt hoger uit dan het door 12 delen van Gemini’s €40-50 miljard maar close enough for me. Het is duidelijk om welke categorie bedragen het gaat. Bij de NL daling van de levensverwachting van 5 maanden, betekent dat ‘ongemerkt’ een eenmalige meevaller in de orde van grootte van €20-25 miljard euro, plus nog eens een kleine €2,5 miljard per jaar, samen ongeveer het defensiebudget van 1 jaar. Dat zullen sommigen als ‘relatief weinig’ afdoen. Dat komt met namen omdat het geen extra kostenposten zijn die al gauw als problematisch worden gezien. Dit zijn daarentegen welkome ‘meevallers’.

We kunnen concluderen dat er met deze miljardenbesparingen in elk geval géén financiële prikkels zijn om de oorzaak van de oversterfte tot op de bodem uit te zoeken. We zullen andere triggers moeten vinden.

Hieronder de schattingen van Gemini.

Als de levensverwachting in Nederland met 1 JAAR daalt, heeft dit direct aanzienlijke financiële gevolgen voor zowel de overheid als levensverzekeraars. Hieronder staat het netto-effect voor beide partijen uitgelegd.


1. Netto-effect voor de overheid (AOW & Zorg)

Voor de overheid levert een daling van de levensverwachting een materieel financieel voordeel op. Dit effect verloopt via twee hoofdwegen:

  • Daling van de AOW-uitgaven: De overheid keert minder jaren AOW uit aan de huidige gepensioneerden. Daarnaast is de AOW-leeftijd wettelijk gekoppeld aan de levensverwachting. Volgens de huidige formule stijgt de AOW-leeftijd met 8 maanden als de levensverwachting met een jaar stijgt. Omgekeerd betekent een daling van de levensverwachting met 1 jaar dat de AOW-leeftijd op termijn met 8 maanden daalt.
    • De rekensom: Hoewel een lagere AOW-leeftijd betekent dat de overheid eerder moet gaan uitkeren aan nieuwe gepensioneerden, weegt dit niet op tegen het feit dat iedereen gemiddeld een heel jaar korter leeft. Het netto-effect op de totale AOW-lasten blijft zwaar negatief (een besparing voor de staat).
  • Minder zorgkosten (VWS): De zorgkosten zijn het hoogst in de laatste levensjaren. Als de bevolking gemiddeld korter leeft, bespaart de overheid naar schatting miljarden aan langdurige zorg (Wlz) en curatieve zorg (Zvw).
  • Keerzijde (Minder belasting): Omdat mensen korter leven, betalen ze ook minder jaren inkomstenbelasting en btw, maar dit weegt bij lange na niet op tegen de besparingen op AOW en zorg.

2. Netto-effect voor levensverzekeringen & pensioenfondsen

Voor verzekeraars hangt het netto-effect volledig af van het type product dat zij aanbieden. In de praktijk hebben levensverzekeraars twee tegengestelde risico’s op hun balans staan, waardoor het effect deels tegen elkaar wegvalt (hedging):

Producttype Wat gebeurt er bij een kortere levensduur? Netto-effect voor de verzekeraar
Lijfrentes & Pensioenen (Langlevendheidsrisico) De verzekeraar hoeft de periodieke pensioenuitkering minder lang uit te betalen omdat de klant eerder overlijdt. Winst (vrijval van technische voorzieningen).
Overlijdensrisicoverzekeringen (ORV) (Sterfterisico) Verzekeraars moeten polissen (bijvoorbeeld voor hypotheken) eerder en vaker uitkeren dan statistisch was berekend. Verlies (er moet sneller kapitaal worden uitgekeerd).

Het totale netto-effect voor de sector:

Omdat de Nederlandse pensioen- en verzekeringsmarkt vele malen groter is in uitkerende producten (lijfrentes en collectieve pensioenen) dan in pure overlijdensrisicoverzekeringen, is een daling van de levensverwachting onderaan de streep gunstig voor de solvabiliteit van verzekeraars en pensioenfondsen. De uitgaven die zij besparen omdat ze pensioenen minder lang hoeven uit te keren, zijn aanzienlijk groter dan de extra uitkeringen op overlijdensrisicopolissen.

Bedragen

Om welke exacte bedragen het gaat bij een daling van de levensverwachting met 1 jaar, is te herleiden uit doorrekeningen van het Centraal Planbureau (CPB), het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en actuaris-berekeningen.

Omdat een daling van een heel jaar statistisch gezien een significante verschuiving is, praten we over tientallen miljarden euro’s.


1. Bedragen voor de overheid: Structureel ca. € 3 tot € 4 miljard per jaar

De totale Nederlandse begroting geeft jaarlijks meer dan € 50 miljard uit aan AOW en ruim € 100 miljard aan zorg (Zvw en Wlz). Een daling van de levensverwachting met 1 jaar hakt hier direct in: [1, 2]

  • AOW-besparing (Minder uitkeringsjaren): Er zijn in Nederland ruim 3,7 miljoen AOW-gerechtigden. Als zij gemiddeld allemaal 1 jaar korter leven, scheelt dat de staat in theorie direct één keer een jaaromzet aan AOW. Vertaald naar een structurele jaarlijkse besparing op de begroting (omdat de instroom en uitstroom permanent verschuiven) levert dit de overheid ruim € 2,5 miljard per jaar op. [1, 2]
  • Zorgkosten-besparing: De zorgkosten pieken extreem in het allerlaatste levensjaar (denk aan intensieve ziekenhuiszorg of verpleeghuisopname). Als dit laatste jaar wegvalt, bespaart het Ministerie van VWS structureel tussen de € 500 miljoen en € 1 miljard per jaar aan langdurige ouderenzorg (Wlz). [1, 2]
  • Netto resultaat: De overheid houdt onderaan de streep structureel € 3 tot € 4 miljard per jaar over. Op de lange termijn (richting 2060) voorkomt dit een schuldopbouw van tientallen miljarden euro’s op de staatsschuld. [1]

2. Bedragen voor levensverzekeringen & pensioenfondsen: Tussen de € 40 en € 50 miljard eenmalige vrijval

In de financiële sector werkt dit anders dan bij de overheid. Verzekeraars en pensioenfondsen moeten nu al verplicht “reserveren” (de technische voorzieningen) voor alle toekomstige uitkeringen. [1, 2]

Zodra de officiële sterftetafels van het Actuarieel Genootschap (AG) met 1 jaar dalen, mogen zij deze reserves direct afwaarderen. [1]

  • Pensioenen & Lijfrentes (Grote winst): De totale pensioen- en lijfrenteverplichtingen in Nederland (beheerd door pensioenfondsen én levensverzekeraars) bedragen ruimschoots meer dan € 1.000 miljard. Als vuistregel geldt in de pensioenwereld: 1 jaar korter leven verlaagt de benodigde reserves met ongeveer 4% tot 5%.
    • Dit betekent dat er direct tussen de € 40 miljard en € 50 miljard aan kapitaal vrijvalt dat niet meer gereserveerd hoeft te worden.
    • Voor grotere levensverzekeraars (zoals NN, ASR of Aegon) betekent dit dat de solvabiliteit (buffer) in één klap met honderden miljoenen tot miljarden euro’s verbetert. [1]
  • Overlijdensrisicoverzekeringen (Verlies): Verzekeraars moeten bij een hogere sterfte direct claims uitkeren voor lopende hypotheekbeschermingen. De totale schadelast hiervan stijgt direct met enkele honderden miljoenen euro’s.
  • Netto resultaat: Omdat de pensioen- en lijfrenteportefeuilles in Nederland gigantisch zijn vergeleken met losse overlijdensrisicopolissen, boekt de verzekerings- en pensioensector per saldo een netto boekwinst van vele tientallen miljarden euro’s.

Samenvattend overzicht

Partij Financiële post Effect van 1 jaar korter leven
Overheid Jaarlijkse Rijksbegroting € 3 tot € 4 miljard structureel voordeel per jaar
Verzekeraars & Fondsen Balanswaarde (Reserves) € 40 tot € 50 miljard eenmalige kapitaalvrijval (winst)

AI responses may include mistakes. For financial advice, consult a professional. Learn more

Bron: Gemini over NL..

België

Ik vroeg Gemini ook hoe het in België zit. De oversterftepercentages lijken daar lager te liggen dan in NL maar het probleem bestaat er wel degelijk. Hun actuarissen hebben helaas geen prognosetafel, zoals bij ons. Uiteindelijk weet ik Gemini uit een hallucinatietrip te schoppen en zegt hij het volgende:

Als we de officiële Belgische tafels vergelijken met de afgelopen 10 jaar, is er in België een vergelijkbaar patroon te zien als in Nederland, maar de actuariële afhandeling is totaal anders.

Kort gezegd: De oversterfte en de trendbreuk zijn in de Belgische data net zo hard zichtbaar, maar de officiële Belgische pensioentafels negeren dit effect op dit moment volledig.

Dit is hoe het in België de afgelopen 10 jaar is gegaan:

1. De data: Een knik in de 10-jaars trend

Als je naar de ruwe sterftedata van Statbel kijkt, zie je over de afgelopen 10 jaar twee duidelijke fasen:

  • 2014 – 2019 (De stabiele daling): Het voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfer daalde jaar in, jaar uit. Tussen 2000 en 2019 daalde de sterfte bij mannen met maar liefst 40% en bij vrouwen met 28%. Actuarissen konden blind rekenen op een alsmaar stijgende levensverwachting. [1]
  • 2020 – 2026 (De trendbreuk): In 2020 schoot het sterftecijfer omhoog. Maar net als in Nederland is de oversterfte daarna niet zomaar verdwenen. Ook in 2021, 2022 en 2023 bleven er significante sterftepieken door griep, covid en onverklaarde oversterfte. Pas in 2024 en 2025 stabiliseerde de levensverwachting zich weer rond de 82,5 jaar. De strakke dalende lijn van vóór 2020 is definitief afgebroken. [1, 2, 3]

2. Waarom de officiële Belgische tafels achterlopen

In Nederland heeft het Actuarieel Genootschap de “AG2026”-tafel uitgebracht om die aanhoudende oversterfte direct in te prijzen in de pensioenen (met die 25%-regel). In België gebeurt op officieel niveau het tegenovergestelde. [1]

De wettelijke basistafels die in België worden gebruikt voor aanvullende pensioenen (de zogenaamde stochastische tafels MR en FR) zijn ontworpen in 2003 en voor het laatst grootschalig geüpdatet door het Instituut van Actuarissen in België (IA|BE) in 2015. [1, 2]

  • Deze officiële projectiemodellen gaan nog altijd uit van de pre-corona data.
  • Ze extrapoleren de optimistische trend van vóór 2020 simpelweg door naar de toekomst.
  • Het gevolg? De officiële Belgische pensioentafels rekenen momenteel met een levensverwachting die hoger ligt dan wat er in de werkelijkheid buiten gebeurt. [1]

3. Hoe gaan Belgische actuarissen hier dan mee om?

De discussie die in Nederland publiekelijk via actuariële nota’s en kritische blogs (zoals Virusvaria) wordt gevoerd, gebeurt in België achter gesloten deuren.

Binnen de WG Mortality – IA|BE (de werkgroep sterfte van de Belgische actuarissen) is er een specifieke subgroep die zich bezighoudt met ‘Solvency II models and shock impacts on solvency ratio’. Omdat zij van de overheid geen nieuwe, gecorrigeerde tabel krijgen zoals de AG2026, moeten zij het zelf oplossen: [1]

  • Interne veiligheidsmarges: Belgische actuarissen gebruiken de verouderde officiële tafels als ‘bodem’, maar zetten daar in hun eigen Solvency II-modellen extra kapitaalbuffers tegenover om schommelingen in oversterfte op te vangen. [1]
  • Commercieel inkopen: Grote verzekeraars gebruiken niet de publieke data, maar kopen via consultancybureaus (zoals Aon of WTW) wiskundige modellen in die de Belgische Statbel-data wél corrigeren voor de trendbreuk van de afgelopen jaren.

Samengevat

Ja, in de Belgische sterftecijfers is exact dezelfde trendbreuk en hardnekkige sterfte van de afgelopen 10 jaar te zien als in Nederland. Maar waar Nederland die trend officieel heeft vastgelegd in een nieuwe markttabel (AG2026), hanteert België op papier nog altijd de verouderde, optimistische prognoses en moeten actuarissen de werkelijkheid achter de schermen zelf corrigeren.

Bron: Gemini over België

Duitsland

In Duitsland hebben de actuariële prognoses zich niet zo drastisch ontwikkeld als in het Nederlandse AG2026-model. Waar het Nederlandse Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) de onverklaarde oversterfte inmiddels als deels structureel (25%) inboekt, kiezen de Duitse actuarissen voor een wezenlijk andere benadering die sterker lijkt op de Belgische situatie. [1, 2]

De belangrijkste ontwikkelingen binnen het Duitse actuariaat en hun belangrijkste modellen laten een duidelijk beeld zien:

1. Geen aanpassing van de basistafels (DAV)

De Deutsche Aktuarvereinigung (DAV), de Duitse zusterorganisatie van het AG, heeft expliciet besloten haar officiële sterftetafels voor levens- en renteverzekeringen (DAV 2004 R) niet neerwaarts aan te passen aan de recent waargenomen daling in levensverwachting. [1, 2]

  • Het argument: Actuarissen in Duitsland beschouwen de oversterfte van de afgelopen jaren (corona, hittegolven en onverklaarde post-corona oversterfte) primair als een tijdelijk fenomeen. [1, 2]
  • Sicherheitsmargen: Omdat Duitse pensioen- en levensverzekeraars wettelijk verplicht zijn uiterst voorzichtig te rekenen, bevatten de DAV-tafels al zeer ruime ingebouwde veiligheidsmarges (de zogenaamde Sicherheitszuschläge). De DAV stelt dat deze buffers groot genoeg zijn om de schommelingen en de huidige oversterfte op te vangen, zonder dat het langetermijnmodel (dat nog altijd uitgaat van een stijgende levensverwachting) hoeft te worden herschreven. [1, 2, 3, 4]

2. Heubeck-Richttafeln (Bedrijfspensioenen)

Voor de waardering van collectieve bedrijfspensioenen (betriebliche Altersversorgung) in Duitsland zijn de Heubeck-Richttafeln 2018 G de absolute norm. De werkgroep die deze tafels namens de DAV controleert, heeft onlangs een evaluatie afgerond: [1, 2]

  • Conclusie: De werkgroep stelde vast dat een formele update van de Heubeck-tafels niet dwingend noodzakelijk is.
  • Reden: Men oordeelt dat de exacte langetermijneffecten van de ‘na-pandemische jaren’ actuarieel nog niet betrouwbaar te isoleren zijn. De huidige tafels uit 2018 worden daarom ongewijzigd gehandhaafd als de best estimate voor balansen. [1]

3. Het verschil met het artikel (Virusvaria)

De situatie in Duitsland verschilt op drie fundamentele punten met de trends die in het gedeelde Virusvaria-artikel over Nederland (AG2026) worden beschreven:

Parameter Nederlands Model (AG2026) Duits Model (DAV / Heubeck)
Blijvend effect 25% van de huidige oversterfte wordt ingekleurd als structureel permanent. 0%. De oversterfte wordt beschouwd als tijdelijke fluctuatie; de historische langetermijntrend blijft intact.
Afname-factor Resterende oversterfte dooft heel traag uit met slechts 5% per jaar. Geen afname-factor nodig, omdat de basistafels de oversterfte simpelweg niet direct inprijzen.
Leeftijdsgroepen Oversterfte wordt nu doorberekend voor alle leeftijden (voorheen pas vanaf 55+). Modellen blijven gebaseerd op de brede populatie- en verzekerdenstatistieken zonder specifieke post-corona correcties per cohort.

Samengevat

Duitsland volgt in feite de Belgische actuariële logica: de trendbreuk in de sterftecijfers is in de data van het federale statistiekbureau Destatis weliswaar zichtbaar, maar de officiële actuariële rekenmodellen negeren het idee dat dit permanent is. Waar het Nederlandse AG de prognoses ‘zwarter dan zwart’ maakt en direct lagere levensverwachtingen inboekt, houden de Duitse actuarissen vast aan het pre-corona optimisme en vertrouwen zij op de reeds bestaande, dikke financiële buffers. [1, 2, 3, 4, 5, 6]

Bron: Gemini over Duitsland

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *