“We kregen geen waarschuwing van de Israëli’s voor de aanval. Dat raakt me nog het meest”, zegt Doaa Shawwa. Zij verloor op 9 maart haar echtgenoot Mousa, broer Baha en zesjarige zoon Karim in een Israëlische luchtaanval. “Mijn man werkte voor een Amerikaanse organisatie en de Israëli’s wisten dat we daar waren. Ze hadden ons moeten waarschuwen dat we moesten weggaan. Waarom deden ze dat niet?” Shawwa’s getuigenis is deel van een nieuw rapport van Human Rights Watch (HRW), dat acht Israëlische aanvallen op hulpverleners in Gaza onder de loep neemt. De veiligheidsgaranties die de Israëli’s hun gaven, bleken weinig waard.

De aanvallen volgen telkens eenzelfde stramien. Een humanitaire organisatie geeft de locatie van een verblijfplaats van medewerkers of de route van een hulpkonvooi door aan het Israëlische leger. Dat bevestigt dat het die gegevens ontvangen heeft, maar valt de locatie of het konvooi toch aan, zonder waarschuwing. Vervolgens hult het leger zich in stilzwijgen, of komt het met onduidelijke of tegenstrijdige verklaringen.

Samen kostten de acht aanvallen zestien mensen het leven. In totaal stierven in Gaza volgens HRW al meer dan 250 hulpverleners. De recentste case die het onderzocht, is ook de bekendste: de drievoudige Israëlische droneaanval op een humanitair konvooi van de ngo World Central Kitchen, waarbij zeven doden vielen. HRW-onderzoekster Belkis Wille noemt die aanval “schokkend”, maar geen geïsoleerd voorval: “De bondgenoten van Israël moeten erkennen dat aanvallen die hulpverleners doden, telkens weer gebeuren, en dat ze moeten stoppen.”

Veiligheid garanderen

De aanvallen verstoren ook de werking van hulporganisaties. World Central Kitchen legde zijn activiteiten in Gaza na de droneaanval meer dan een maand stil. Nadat een Israëlisch oorlogsschip een voedselkonvooi van de humanitaire VN-organisatie UNRWA beschoten had, staakte die uit veiligheidsoverwegingen 19 dagen lang haar leveringen aan het noodlijdende noorden van Gaza.

Elk van de aanvallen in het rapport vond plaats, nadat de hulporganisaties hun locaties of routes aan het Israëlische leger voorgelegd hadden en van het leger groen licht gekregen hadden, geheel volgens het Israëlische ‘deconflictiesysteem’. Dat moet, door afspraken tussen hulporganisaties en het leger, vermijden dat hulpverleners verzeild raken in gevechtszones, of dat het leger hen per ongeluk viseert. Zo hoort het de veiligheid van hulpverleners te vrijwaren.

Anera, de Amerikaanse ngo waarvoor Mousa Shawwa werkte, ziet in de aanval op haar medewerker “een onbetwistbaar bewijs dat ‘deconflictie’ niet werkt en de werking van ons team ondermijnt”. Ook Artsen zonder Grenzen (AZG), het International Rescue Committee (IRC), Medical Aid for Palestine (MAP) en de UNRWA, de andere slachtoffers van Israëlische aanvallen die aan bod komen in het HRW-rapport, wijzen erop dat het systeem dat hun medewerkers veilig moet houden, voortdurend lijkt te falen.

Zes verklaringen voor één aanval

“Ik kan het risico niet nemen nog meer medewerkers Gaza in te sturen, want ik kan niet vertrouwen op deconflictie om hun veiligheid te garanderen”, zegt een anonieme hulpmedewerker voor een van die organisaties in het rapport. “Je kunt een haven bouwen en hulp sturen, maar zonder veilige werkomgeving zullen die hulpgoederen gewoon opstapelen zonder dat mensen die veilig ter plekke krijgen.”

Dat hulpverleners ondanks afspraken tussen het leger en hun organisaties niet veilig zijn, plaatst volgens HRW vraagtekens bij de Israëlische bereidheid om internationale wetgeving na te leven. Aanvallen die burgers viseren of disproportionele schade berokkenen, zijn namelijk verboden. De hulporganisaties beweren dat ze van het Israëlische leger geen informatie ontvangen hebben over legitieme militaire doelwitten in de omgeving van de aanvallen.

De Israëlische verklaringen over aanvallen op hulpverleners laten volgens de humanitaire organisaties bovendien vaak te wensen over, als de Israëli’s die al geven. Voor de aanval op 18 januari op een verblijfplaats van MAP en IRC gaf het leger zes verschillende verklaringen. Het beweerde niet op de hoogte te zijn van de aanval, op dat moment niet actief te zijn in de buurt, dat de aanval een aanpalend gebouw viseerde naast de – vrijstaande – verblijfplaats of dat de schade veroorzaakt was door een defecte staartvin van een raket. Later werd de defecte staartvin een onderdeel van een vliegtuigromp. Vandaag is nog altijd niet duidelijk waarom het Israëlische leger het gebouw bestookte.

Door NieuwsBlad

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *