Het was grotendeels een heerlijke warme zomer dit jaar, vond ik. Het deed me denken aan die ‘oneindig’ lange zomer van 1976. De -naar horen zeggen- uitzonderlijke zomer van 1947 heb ik niet meegemaakt, maar het feit dat 1947 maar liefst 4 hittegolven telde (nog steeds) is ongeëvenaard.
Fig.1 Data: KNMI
Het KNMI schreef dat de zomer van 2026 de warmste was sinds 1901, berekend op basis van Tg, de gemiddelde dagtemperatuur. Dat kan goed zijn (ik heb het niet nagerekend), maar die ene hittegolf van 2026 (figuur 1) valt me toch een beetje tegen. Het verschil zit hem in het feit dat hittegolven vastgesteld worden m.b.v. de maximum etmaaltemperatuur Tx en niet op basis van de gemiddelde etmaaltemperatuur Tg.
Fig.2 Data: KNMI
Nu is een hittegolf wel een beetje ruwe methode om warmte te registreren. De definitie van het KNMI is: een periode van minstens 5 aaneengesloten dagen op het hoofdmeetstation in De Bilt waarop de maximumtemperatuur 25,0 °C of hoger is (zomerse dagen) en waarvan minstens 3 dagen een maximumtemperatuur van 30,0 °C of hoger moeten hebben (tropische dagen). Figuur 2 toont de hittegolf van 2026. Met één extra tropische dag (roze) en de volgorde van de gekleurde data iets anders verdeeld hadden we twee hittegolven mogen tellen in plaats van één. Maar ‘als….dan…..’ telt niet.
Het rode streepje in figuur 1 (op 1 september 1951) toont het einde van de bijzondere periode 1901 tot 1-9-1951. De temperatuurmetingen van De Bilt in die periode zijn per 1-1-2026 voor de tweede maal gehomogeniseerd (‘gecorrigeerd’). We tellen nu van 1-1-1901 tot 1-9-1951 14 hittegolven. Hoeveel er oorspronkelijk zijn gemeten toont figuur 3:
Fig.3 Data: KNMI
De bovenste grafiek van figuur 3toont het aantal gemeten hittegolven t/m 2015. De temperaturen van 1901 tot 1 september 1951 (rode lijn) zijn in 2016 voor de eerste keer gehomogeniseerd. Dat had enorme gevolgen voor het aantal hittegolven tot 1951, dat daalde van 23 tot slechts 7 stuks (onderste grafiek figuur 2). Na jarenlang touwtrekken kregen we het voor elkaar dat het KNMI die absurde correctie uit 2016 onlangs heeft gecorrigeerd. Of er voldoende gecorrigeerd is durf ik niet te zeggen (zie dit artikel), maar de tweede correctie ( 14 hittegolven vóór 1-9-1951) wijkt in elk geval veel minder van de meetdata af dan de eerste correctie van 2016 (7 hittegolven).
Fig.4 Data: KNMI
Een elegantere methode om de ‘warmte’ te bestuderen dan te kijken naar hittegolven is het berekenen van het gemiddelde van de dagelijkse maximumtemperaturen (Tx) gedurende de zomermaanden. Figuur 4 geeft de gemiddelde Tx per zomer weer van 1901 t/m 2026. De zomer-Tx van 2026 (24,5 °C) is hoog maar ‘verliest’ het nipt van 2003 (24,6 °C, rode stip ). De zomer-Tx van de warme zomer van 1976 was 24,2 °C en die van 1947 (met 4 hittegolven) was 23,9 °C. Dat laatste toont goed aan dat ‘hittegolven’ een ruwe meetlat zijn.
Records zijn leuk voor de krant en tv, maar interessanter is de lineaire trend van figuur 4, de weergegeven rechte lijn. De bijbehorende formule staat in de hoek rechtsonder. Voor de zomerse Tx van De Bilt geldt een lineaire trend van y=0,0217x. De toename van Tx-zomer van 1901 t/m 2026 is dus 2,734 °C, per eeuw is de toename 2,17 °C.
Interessante vraag is denk ik of de lineaire trend van de zomerse Tx in De Bilt ‘geloofwaardig’ is na twee forse homogenisaties. Daarvoor gebruik ik de zomer Tx van de vier overige hoofdstations De Kooy, Eelde, Vlissingen en Maastricht. Gezien de geografische ligging (figuur 5) en de relatief geringe afstanden tussen de stations is het te verwachten dat de Tx summer trend van De Bilt ongeveer vergelijkbaar zal moeten zijn met die van de overige stations.
Fig.5 Data: KNMI
De lineaire trends van alle vijf hoofdstations is in rood weergegeven. Zo te zien past de trend van station De Bilt prima bij die van de 4 hoekstations.
Toch hou ik enige reserves over de weergegeven trends. Over de data van De Bilt heb ik daarover al uitgebreid geschreven in dit artikel. Maar over de cijfers van de vier hoekstations valt ook wel wat te zeggen. Het kaartje laat zien dat er voor elk van de vier hoekstations twee stationsnamen gegeven worden. Elk van die vier stations is ooit verplaatst: Den Helder naar De Kooy, Groningen naar Eelde, Maastricht naar Beek en Vlissingen naar Souburg en terug. Dat levert sprongen op in de tijdreeksen, die ‘opgelost’ werden met behulp van parallelle metingen:
Fig.6 Bron: De Valk + Brandsma (2023)
Daarbij werden de ‘oude’ data gecorrigeerd ten opzichte van de ‘nieuwe’ data. Overigens waren die correcties minder ingrijpend dan die van De Bilt, waar parallelle metingen ontbraken. Daarom toont station De Bilt op de kaart slechts één stationsnaam.
Ik heb begrip voor het feit dat instituten zoals het KNMI hun meetreeksen graag zo lang mogelijk zien. Maar elke correctie, hoe fraai uitgevoerd, maakt toch van ‘meetgegevens’ ‘gewone data’. Bij het downloaden van daggegevens verschijnt altijd de waarschuwing:
“#Opmerking: door stationsverplaatsingen en veranderingen in waarneemmethodieken zijn deze tijdreeksen van uurwaarden mogelijk inhomogeen! Dat betekent dat deze reeks van gemeten waarden niet geschikt is voor trendanalyse.”
Misschien dat er aan toegevoegd zou moet worden: “Dat laatste geldt mogelijk ook voor de gehomogeniseerde data” . Een andere mogelijkheid is om géén correcties meer uit te voeren bij stationsverplaatsingen en/of instrumentveranderingen en gewoon een nieuwe tijdreeks te beginnen.
Source: https://clintel.nl/warme-zomer-2026-hittegolven-temperatuurtrends/
.






