
Voor 2026 bedraagt de algemene wettelijke grens €51.440. Wie aan alle voorwaarden voldoet en binnen het toepasselijke maximumbedrag blijft, hoeft over die opname geen revisierente te betalen. De verschuldigde inkomstenbelasting verdwijnt echter niet.
Geen verplichting om de hele lijfrente leeg te halen
Tot dusver kon onzekerheid bestaan over de vraag of de bijzondere regeling betekende dat een lijfrente volledig moest worden afgekocht. Volgens het nieuwe standpunt is dat niet het geval. Een gedeeltelijke afkoop is mogelijk, terwijl het resterende bedrag gewoon binnen de lijfrente kan blijven staan.
Ook meerdere opnames kunnen toegestaan zijn. Daarbij wordt wel gekeken naar het totale bedrag dat in één kalenderjaar met toepassing van de uitzondering wordt opgenomen. Dat jaarbedrag moet binnen de grens blijven die voor de betreffende belastingplichtige geldt.
Iemand met verschillende lijfrenteproducten kan de regeling eveneens over meerdere polissen of rekeningen verdelen. Het gaat uiteindelijk om het gezamenlijke bedrag dat in dat kalenderjaar wordt afgekocht.
De grens kan persoonlijk hoger uitvallen
Daarvoor kan worden gekeken naar het gemiddelde inkomen over de twee voorafgaande kalenderjaren. Voor die berekening geldt in 2026 een maximaal inkomen van €137.800. Dat kan relevant zijn voor iemand die vóór de arbeidsongeschiktheid een aanzienlijk hoger inkomen had.
Het zou daarom onjuist zijn om €51.440 voor iedereen als een absoluut maximum te zien. Het is de standaardgrens. De persoonlijke ruimte kan, afhankelijk van het eerdere inkomen en de overige voorwaarden, groter zijn.
Wordt meer opgenomen dan het toepasselijke maximumbedrag, dan kan over het bovenmatige gedeelte alsnog revisierente worden berekend. Het is dus belangrijk om niet uitsluitend naar het saldo van één lijfrenterekening te kijken, maar alle opnames in hetzelfde jaar bij elkaar op te tellen.
Niet iedere vorm van arbeidsongeschiktheid is voldoende
De uitzondering geldt niet automatisch zodra iemand ziek is of tijdelijk niet kan werken. Er moet sprake zijn van langdurige arbeidsongeschiktheid zoals de fiscale regeling die omschrijft. Ook moet de persoon op het moment van afkoop de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt.
De arbeidsongeschiktheid moet kunnen worden aangetoond. Dat kan bijvoorbeeld met informatie over een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In andere gevallen kan een verklaring van een arts nodig zijn waaruit blijkt dat iemand naar verwachting gedurende de komende twaalf maanden niet volledig in staat is het eigen hoofdberoep of de eigen werkzaamheden uit te oefenen.
Welke documenten nodig zijn, hangt af van de persoonlijke situatie. Een verzekeraar, bank of andere aanbieder van het lijfrenteproduct kan eveneens bewijs verlangen voordat het geld wordt uitgekeerd.
Geen revisierente betekent niet belastingvrij
De fiscale uitzondering wordt soms omschreven als “boetevrij afkopen”. Dat is begrijpelijk, maar kan een verkeerde indruk geven. Het opgenomen bedrag wordt nog steeds gezien als belastbaar inkomen in box 1.
De besparing zit in het achterwege blijven van de revisierente. Die bedraagt bij een gewone verboden afkoop veelal 20 procent. Bij een opname van €30.000 kan het verschil daardoor oplopen tot duizenden euro’s.
Het nieuwe standpunt geeft arbeidsongeschikten meer flexibiliteit. Zij kunnen een bedrag opnemen dat aansluit bij hun daadwerkelijke behoefte, zonder meteen hun volledige lijfrentevoorziening op te offeren. De regeling blijft wel technisch: de jaargrens, het bewijs van arbeidsongeschiktheid en de fiscale gevolgen moeten allemaal worden meegenomen.
.

