In het artikel Let op! Nederland gaat op de schop, in de Andere Krant van 10 november 2023, heb ik een beschrijving gegeven van de veelomvattende beleidsplannen van minister Hugo de Jonge voor een ‘grote verbouwing van Nederland’. De Jonge kondigt in zijn contourennotitie nieuwe Nota Ruimte van oktober 2023 aan dat de ruimte in Nederland “rechtvaardig verdeeld” zal worden om ruimte te creëren voor allerlei transities, onder andere op het gebied van landbouw, natuur, mobiliteit en verstedelijking.

Wanneer je de ambities van het kabinet leest, daalt het besef in dat de vermeende stikstofproblematiek peanuts is in vergelijking met de 22 landelijke plannen die aanspraak maken op landgebruik. Het is duidelijk dat die 22 projecten enorme impact zullen hebben op Nederland en dat er voor veel activiteiten helemaal geen plaats meer zal zijn. Vooral de landbouw en visserij zullen hard worden getroffen. Dat komt onder meer door een enorme uitbreiding van natuurgebieden en ‘natuurherstel’, die ertoe leidt dat 40 procent van Nederland zal worden ingericht als ‘natuur’, en door de ruimte die wordt opgeslokt door de ‘energietransitie’ (windmolens, zonnepanelen, energie-infrastructuur).

De vraag is, heeft de Nederlandse bevolking inbreng in deze ‘verbouwing’? Wat is de democratische legitimiteit ervan? In mijn artikel heb ik aangegeven dat veel van de besluitvorming plaatsvindt in informele overlegorganen, zoals de zogenoemde Novex-regio’s, die helemaal niet bestaan in de Nederlandse bestuursstructuur en waartoe burgers dan ook geen toegang hebben. Provincies en gemeenten, waar wel democratische verantwoording plaatsvindt, blijken nauwelijks te zijn betrokken bij de Nota Ruimte, alleen op indirecte wijze. Van referenda is al helemaal geen sprake.

De Vree stelt deze vragen aan de orde, aan de hand van mijn artikel. “De PVV maakt zich grote zorgen over de enorme verbouwing die gaande is, aangezien daar in verkiezingstijd nauwelijks aandacht voor is en de uitvoering dermate onoverzichtelijk, zodat gerust gesteld kan worden dat het merendeel van onze inwoners geen flauw idee heeft wat er gaande is, laat staan dat ze daar een mening over hebben”, schrijft hij. “Een slechte zaak, aangezien de gevolgen voor hun levens en leefomgeving heel groot zullen zijn.”

Hij vraagt: “Kunt u aangeven wanneer en op welke wijze onze burgers hebben kunnen stemmen over de gaande zijnde verbouwing van Nederland en onze provincie Zuid-Holland?”

Het antwoord van provinciesecretaris Marcel van Bijnen en Commissaris van de Koning Jaap Smit, namens de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland: “Via een ‘digitale inwonersraadpleging’ hebben we onze inwoners actief gevraagd om inbreng te leveren bij het stellen van prioriteiten ten behoeve van het Ruimtelijk Voorstel dat de minister aan ons heeft gevraagd in het kader van de Ruimtelijke Puzzel.” Die ‘ruimtelijke puzzel’ is een project waarbij in oktober 2022 alle provincies een ‘starterspakket’ ontvingen van het Rijk met een “ruimtelijke puzzelopdracht” waarin ze de 22 nationale programma’s een plek moesten geven. De provincie Groningen stelde vast dat om alle opgaven te realiseren, 2,5 keer de oppervlakte van de provincie nodig zou zijn.

Aan de ‘digitale inwonersraadpleging’ hebben 5800 inwoners deelgenomen, schrijven Van Bijnen en Smit, en de resultaten zijn verwerkt in “de stukken die u zijn toegezonden ten behoeve van de besluitvorming over het Ruimtelijk Voorstel in Provinciale Staten”. De bestuurders gaan er blijkbaar vanuit dat een ‘digitale inwonersraadpleging’, waaraan een zeer beperkt aantal mensen meedoet, en waarvan de resultaten op onduidelijke wijze worden ‘verwerkt’ in de besluitvorming, een vorm is van democratische legitimering. Daar zullen weinig mensen het mee eens zijn. Uit vele interviews die ik heb gedaan in het kader van mijn onderzoek naar de ‘grote verbouwing van Nederland’, blijkt dat boeren, vissers en burgers zich niet gehoord voelen bij dit soort zogenaamde ‘participatieprocessen’. In de praktijk worden ze uitgenodigd om te mogen tekenen bij het kruisje na presentaties over plannen die jarenlang achter gesloten deuren zijn voorbereid in samenwerkingen tussen bureaucraten, grote bedrijven, dure consultancy’s en ‘maatschappelijke organisaties’.

De Vree vraagt vervolgens: “Deelt u de mening dat er in principe geen democratische legitimiteit is voor deze verbouwing van Nederland en onze provincie Zuid-Holland?”. Antwoord: “Nee. Besluitvorming vindt plaats door democratisch gekozen bestuursorganen, waaronder ook Provinciale Staten.”

Dat zou mooi zijn als het waar was. Het probleem is alleen dat het niet klopt. Van Bijnen en Smit geven dat later zelf ook toe. In november 2021 kwam de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur met een rapport waarin zij aangaf dat beleid steeds meer op ‘andere plekken’ wordt gemaakt dan in de gemeenteraad of bij Provinciale Staten, zoals ik mijn vorige artikel al aangaf. De Vree vraagt de provinciebestuurders of zij de mening van de Raad delen. Antwoord: “De analyse dat toegenomen taaktoedeling vanuit de rijksoverheid naar het regionaal niveau, in combinatie met toegenomen samenwerking van gemeenten, heeft geleid tot een toegenomen belang van regionale verbanden met slechts indirecte democratische legitimatie wordt breed gedeeld. Ook wij onderschrijven deze feitelijke waarneming, evenals overigens de minister van BZK.” Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over.

Van Bijnen en Smit erkennen vervolgens: “De Contourennotitie voor de nieuwe Nota Ruimte is afgelopen oktober uitgebracht door het Rijk. Bij de totstandkoming daarvan zijn de gemeenten, waterschappen maar ook provincies maar beperkt betrokken. Betrokkenheid liep vooral via de koepels van de decentrale overheden (VNG/UvW/IPO). In het recent uitgebrachte Participatieplan Nota Ruimte heeft het Rijk weergegeven hoe partijen worden betrokken bij het vervolg van de totstandkoming van de Nota Ruimte. Hoe decentrale overheden preciezer (hoe & wie waar-wanneer) worden betrokken, is ons nog niet duidelijk.”

De twee bestuurders stellen vervolgens: “Wij pleiten er bij het Rijk voor gemeenten en provincies actiever te betrekken bij de totstandkoming van Nota Ruimte en snel duidelijkheid te verschaffen over de concretere invulling van deze betrokkenheid. Want ons betreft kan deze betrokkenheid niet alleen via de koepels van de decentrale overheden lopen, maar is het ook van belang voor de daadwerkelijke decentrale overheidspartners uit de diverse landsdelen.”

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland erkennen dus wel degelijk dat ze zich op dit moment gepasseerd voelen en worden opgescheept met plannen en dictaten waar ze zelf weinig over te zeggen hebben. Ze erkennen ook dat “alle ruimteclaims” die door de 22 programma’s worden gelegd, “simpelweg niet zullen passen”. Waar zij en ook De Vree het niet over hebben, is waar die 22 programma’s nu eigenlijk vandaan komen. Wie bepaalt dat al deze ‘transities’ nodig zijn?

In mijn onderzoek Nederlandse boeren en vissers: Ondermijning van eigendomsrecht en de voedselvoorziening, dat ik vorig jaar heb uitgevoerd, ontdekte ik dat de ingezette transities voortkomen uit afspraken die decennia geleden op VN-niveau gemaakt zijn. Tussen 3 en 14 juni 1992 hield de VN de Earth Summit-conferentie in Rio de ­Janeiro. Na afloop presenteerden zij ­‘Agenda 21’, de ‘blauwdruk voor samenlevingen in de 21e eeuw’, het klimaatverdrag en het biodiversiteitsverdrag. Agenda 21 kreeg in 2015 een update met ‘Agenda 2030’ en de welbekende ‘sustainable development goals’ (sdg’s). Aan de conferentie namen maar liefst 1400 geaccrediteerde ngo’s formeel deel aan de officiële procedures, daarnaast namen “duizenden anderen” deel aan een parallel gepland ‘Global Forum’. De ngo’s spelen vervolgens een grote rol in de implementatie van deze internationale beleidsagenda’s op alle mogelijke niveaus: nationaal, regionaal, lokaal, in het onderwijs, via reclamecampagnes en via juridische wegen.

Verplichtingen onder de ‘Green deal’ van de EU, en de klimaatwet en de energietransitie in ons eigen land, vloeien voort uit het VN-klimaatverdrag. Het biodiversiteitsverdrag vereiste de instelling van het ‘ecologische netwerk model’, een systeem van beschermde gebieden, bufferzones daaromheen, waar economische activiteit gereguleerd is, en ‘corridors’ die deze gebieden verbinden. Deze gebieden zijn onder verschillende namen wereldwijd ingesteld. Ondertussen vallen 17 procent van al het land en 10 procent van alle zeegebieden onder de ‘bescherming’ van het VN Biodiversiteitsverdrag. Die bescherming wordt uitgevoerd door ngo’s, die in Nederland in beleidsstukken als ‘maatschappelijke organisaties’ of ‘terrein beherende organisaties’ naar voren komen. In de praktijk betekent het dat de burger of boer geen toegang meer heeft, tenzij onder strikte voorwaarden.

Na de COP15-conferentie in december 2022 werden nieuwe doelen onder het bindende Biodiversiteitsverdrag aangekondigd: voor 2030 moet 30 procent van het land en water ‘beschermd gebied’ zijn, en in 30 procent van ‘beschadigde’ natuurgebieden moeten herstelwerkzaamheden plaatsvinden. De EU nam deze doelstellingen over, met een afgewaterde versie van de hersteldoelstellingen. Overigens, herstelwerkzaamheden hoeven niet per se in beschermde gebieden plaats te vinden. Dat er in Nederland ‘ruimte voor natuur’ nodig is, komt doordat er in 1992 en daaropvolgend op VN-niveau bindende afspraken zijn gemaakt.

Op het verstedelijkingsbeleid werd al vóór de Rio-conferentie een voorzet genomen, met de ‘Habitat’-conferentie in Vancouver in 1976, waarna de VN alle lidstaten opriep beleid te formuleren op het gebied van ruimtelijke ordening, met als doel privébezit in toenemende mate onder publieke controle te stellen. Op deze manier zou ‘menselijke ontwikkeling’ via ‘menselijke nederzettingen’ effectief aangestuurd kunnen worden. De visie voor ‘duurzame menselijke nederzettingen’ werd verder uitgewerkt in hoofdstuk 8 van Agenda 21, en in daaropvolgende conferenties Habitat II (1996) en Habitat III (2016). De huidige uitwerking van deze conferenties is sdg 11, Duurzame, veilige en veerkrachtige steden en gemeenschappen, en de New Urban ­Agenda. De VN-commissariaten en daaraan verbonden organisaties en ngo’s kauwen vanuit deze internationale opdrachten gedetailleerd beleid voor, dat zich op landelijk niveau bijvoorbeeld vertaalt in een ‘mobiliteitstransitie’ en op stedelijk niveau naar beleid voor ‘slimme’ en 15-minuten steden. Op veel stedelijke websites kom je een rechtstreekse verwijzingen tegen naar de sdg’s, Habitat, de Urban Agenda of verschillende ngo’s die zich inzetten voor het implementeren van Agenda 21/2030.

Samenvattend: Nederland zit midden in een grote verbouwing, met onvoorstelbare consequenties voor landgebruik en eigendomsrecht, omdat in 1992 en in 2015 op VN-niveau bindende afspraken zijn gemaakt. Is dat democratisch, dat er beleid wordt uitgevoerd dat niet voorkomt uit een wens van de bevolking, en niet is geformuleerd door volksvertegenwoordigers? De volksvertegenwoordigers laten zich op deze manier reduceren tot een uitvoerende instantie van VN-beleid.

De Vree roept op de “22 nationale programma’s per direct in de ijskast te zetten, zodat eerst uitgebreide, onafhankelijke onderzoeken kunnen plaatsvinden, onder meer naar de democratische legitimiteit van deze grote verbouwing, alsmede hoe deze sterk te verbeteren door bijvoorbeeld de inzet van referenda”. Maar dat achten de Gedeputeerden niet nodig: “Alle ruimtelijke keuzes worden door de democratisch gekozen leden van Provinciale Staten gemaakt”, schrijven zij – in weerwil van wat ze elders in hun antwoorden erkennen.

Zo stoomt de VN-verbouwing door, zonder dat de politiek iets onderneemt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *