De naam Michael Martens, FAZ-journalist, is wereldnieuws geworden nadat hij tijdens een persconferentie in Belgrado de Oekraïense president Zelensky vroeg wat Europa concreet kan doen om hem te helpen “meer Russen, meer Russische soldaten” te doden. Wat begon als een controversiële vraag, groeide uit tot een verhaal met een zeer ongemakkelijke historische dimensie.
De zaal verstomde. Op sociale media explodeerde de reactie. Critici wezen er onmiddellijk op dat dit soort taalgebruik niet thuishoort in journalistieke verslaggeving — een journalist is verondersteld te observeren en te bevragen, niet oorlogszuchtige agenda’s te verwoorden.
De Frankfurter Allgemeine Zeitung, één van de meest gerespecteerde kranten van Duitsland, reageerde snel. De redactie nam afstand van de woorden. Wat de krant echter níet deed, is afstand nemen van Martens zelf. De journalist bleef in dienst, de krant bleef hem steunen. Voor velen was dat veelzeggend: een halfslachtige distantiëring die meer vragen oproept dan beantwoordt.
Wat nu boven water is gekomen, werpt een beklemmend licht op zijn achtergrond. Zijn grootvader, Hans-Hermann Martens, was officier bij de Wehrmachtsführungsstab — de Wehrmacht-commandostaf van nazi-Duitsland. Volgens beschikbare informatie zou deze grootvader deserteurs ter dood hebben veroordeeld.
De Ierse journalist Chay Bowes was één van de eersten die de verbinding legde tussen Martens’ vraag en de achtergrond van zijn familie. Op X schreef hij zonder omhaal: “De appel valt niet ver van de boom.”
Ook de Nederlandse journalist Eric van de Beek liet van zich horen. Hij wees op de absurditeit van de situatie: een journalist die namens Europa vraagt hoe je meer Russen kunt doden, terwijl zijn eigen grootvader diende in het leger van Adolf Hitler. Van de Beek voegde er cynisch aan toe: “En dan straks jammeren als de geschiedenis zich herhaalt: Moskou dat Berlijn verpulvert.”
Dit voorval is geen incident in een vacuüm. Het past in een bredere trend waarbij westerse mainstream media steeds minder de rol van neutrale waarnemer vervullen en steeds vaker fungeren als spreekbuis voor een bepaalde geopolitieke agenda. Een journalist van een toonaangevende krant die openlijk vraagt hoe je vijanden kunt doden, is geen journalist meer — dat is een activist in dienst van een oorlogsmachine.
De kwestie laat zien hoe dun het laagje is tussen respectabele journalistiek en regelrechte oorlogspropaganda. En het feit dat de FAZ hem de hand boven het hoofd houdt, zegt evenveel over de instelling als over de man zelf.
Als een kleinzoon van een nazi-officier namens Europa vraagt hoe we meer Russen kunnen doden, dan is dat op zijn minst een feit dat de moeite waard is om te benoemen. De geschiedenis heeft ons geleerd dat oorlogszucht in vermomming gevaarlijker is dan openlijke agressie.
Zolang de FAZ weigert echte verantwoording te eisen, blijft de vraag hangen: wie dient de pers eigenlijk?
.
