Virussen bestaan niet. Virussen zijn computersimulaties die passen bij observaties. Het zijn niet meer dan door onszelf gecreëerde modellen. Er is nog nooit een virus fysiek geïsoleerd en er is een definitie bedacht voor ‘virus’ waar nog steeds niet aan wordt voldaan. Aldus de herhaalde klachten van virusontkenners aan het adres van virusvaria. (Die ‘postulaten’ zijn op zich weer deels achterhaald – maar ook dat is een andere discussie).
Al met al een uitdagende en daarmee amusante controverse maar het gaat op deze site om een besmettelijke respiratoire ziekte -van virussen of iets anders- en de respons daarop. De vraag is hoe proportioneel en onderbouwd de respons was en is, met name in Nederland. Noem het een virus, een exosoom, een replicon, of een zichzelf vermenigvuldigend pathogeen agens – de naam verandert niets aan de realiteit: besmetting tussen individuen bestaat, is experimenteel reproduceerbaar, en de discussie over hoe we het moeten noemen leidt alleen maar af van de pandemie-handling: hoe gaan we om met besmettingen: kunnen we ze voorkomen of matigen en ten koste van wat gaat dat dan? We moeten toch met besmettingen leren omgaan; virussen of niet.
Zijn er studies over?
Zeker in de initiële onderzoeken viel het forceren van besmettingen niet altijd mee. Het druppeldogma zat in de weg. Men heeft het vaak geprobeerd met neusdruppels: vrij kansloos, want dat is alsof je een schuimblusser probeert aan te steken met een lucifer en als dat niet lukt concludeert “er bestaat geen vuur” of “overslaande brand is onmogelijk”. De neusm slijmvliezen en bovenste luchtwegen (aka mucosale bescherming) vormen immers de belangrijkste firewall tegen pathogenen, die binnen minuten worden afgevoerd richting slokdarm, weg van de ontvankelijke longen. In latere studies gaat dat een stuk beter. Er staan er hieronder enkele genoemd.
Een andere bewijsgrond is het feit dat er -in andersoortig onderzoek- wordt gewerkt met serial passaging: hoe een pathogeen zich aanpast aan een nieuwe host. Dat wordt bestudeerd door besmettingen van dieren op andere dieren over te dragen. Dat gaat dus probleemloos. Ook daarvan een aantal links naar studies.
Tot slot een paar studies met fretten die elkaar besmetten, in verschillende opstellingen. Arme beestjes…
Contact of lucht
1. Het Poker-experiment (Dick et al., 1987)
In 2023 al behandeld:
Wat er gebeurde:
- 8 zieke Donors speelden 12 uur poker met 12 gezonde Recipients
- De helft van de Recipients was fysiek verhinderd hun gezicht aan te raken
- Een apart experiment testte alleen besmette voorwerpen (kaarten, fiches, meubels — nul Donors in de ruimte)
De uitkomst:
- Aerosol-only: 56% besmet, alle routes: 67% besmet (verschil niet statistisch significant)
- Fomites-only: 0% besmet
Er is iets overdraagbaars dat door de lucht van mens naar mens gaat. Fomites doen niets. De discussie over wát het precies is, virus of niet, is voor de uitkomst irrelevant.
2. EMIT-1 proof-of-concept (2012)
Donors en Recipients in quarantaine zonder mechanische ventilatie.
Secundaire aanvalsratio: 16%. Er vindt overdracht plaats.
3. EMIT-1 follow-on (Killingley et al., 2020)
Zelfde opzet, maar nu mét mechanische ventilatie. Secundaire aanvalsratio: 1,3%. Zet de ventilatie aan, en de overdracht verdwijnt. Ventilatie verdunt alleen dingen die door de lucht zweven. Het agens blijkt overdraagbaar via de lucht.
“The main difference between these studies was mechanical building ventilation, suggesting a possible role for aerosols.”
4. EMIT-2 — natuurlijk geïnfecteerde Donors, nóg steeds ventilatie-afhankelijk
Natuurlijk geïnfecteerde Donors (geen lab-inoculatie, milde symptomen, mogelijke kruisimmuniteit bij ontvangers, 8 personen 2-4 uur in een ruimte met één donor), beperkte ventilatie maar hoge luchtrecirculatie, gereguleerd klimaat (temp, vochtigheidsgraad). Nul transmissie. Milde symptomen en kruisimmuniteit hebben vermoedelijk een rol gespeeld.
Conclusie: zonder geconcentreerde adempluimen – geen overdracht.
(Noot: ze hebben de donor enkele malen laten hoesten. Ze hadden hem echter beter wat carnavalsliederen kunnen laten zingen, getuige ook dit stuk in Nature, februari 2019)
Serial passaging
Serial passaging is het besmetten van een gezond dier met weefsel van een ziek dier. Dat gezonde dier wordt ziek. Met dat nieuwe longweefsel wordt dan weer een gezond dier ‘besmet’ etc. → herhaal 10-20 keer. Aan het eind worden de mutaties van het weefsel in kaart gebracht.
5. Serial passaging: A/Kansas/14/2017 H3N2 — 17 passages
17 passages in muizen. Wild-type: nul detecteerbaar RNA in longen. Passage 17: 101010^{10}1010 kopieën/mL, letaal. Veertien specifieke mutaties geaccumuleerd (Virology Journal, 2025).
6. Serial passaging: A/Switzerland/9715293/2013 H3N2
Seriële passages, polymerase-activiteit nam >300% toe. Synergetische mutaties in HA en PA veroorzaakten letale pneumonitis waar het wild-type niets deed (Scientific Reports, 2019).
7. Serial passaging: A/HK/1/68 H3N2 — genomische analyse
39 varianten uit 10 onafhankelijke passages. 51 van 115 mutaties onder positieve selectie, 27 parallelle mutaties. Virulentie nam toe met factor >10510^5105.
8. Serial passaging: SARS-CoV-2 Beta — IFITM3 als barrière
20 passages in IFITM3-deficiënte muizen. Virus repliceerde steeds efficiënter in muizen, maar verloor tegelijkertijd fitness in humane cellen. Een klassieke gastheer-adaptatie trade-off (Nature Communications, 2026).
9. Serial passaging: SARS-CoV-2 Beta en Delta — parallelle evolutie
20 passages. Vroeg passage-virus (P2) versus laat (P21): dramatisch verschil in virulentie, gewichtsverlies, en sterfte. TNF-deficiënte muizen bleven gespaard — het mechanisme is causaal aangetoond (PNAS, 2023).
10. Serial passaging: SARS-CoV-2 N501Y VIC2089 — 21 passages
21 passages. Vroeg passage-virus (P2) versus laat (P21): dramatisch verschil in virulentie, gewichtsverlies, en sterfte. TNF-deficiënte muizen bleven gespaard — het mechanisme is causaal aangetoond (PNAS, 2023)
11. Natuurlijke serial passage op industriële schaal: Deense nertsen
Grootschalige natuurlijke serial passage. ~136 mens-naar-nerts transmissies, ~59 nerts-naar-mens transmissies, nerts-naar-nerts transmissie tussen farms. De Y453F Spike-mutatie ontstond vroeg en domineerde — adaptieve evolutie op populatieschaal (PLOS Pathogens, 2024).
12. H5N1 — transmissie tussen zoogdieren
Boviene H5N1 transmissie van moeder naar pup in muizen. Inefficiënte maar reële respiratoire druppeltransmissie in fretten. De auteurs: “a paradigm shift.”
13. Bonus: systematische review bevestigt aerosol als dominante route
Conclusie na 25 studies: “Moderate evidence that airborne transmission is the major transmission route of rhinovirus in real-life indoor settings.”
Fysieke gescheiden fretten
Dit zijn misschien nog wel de sterkste experimenten.
14. Zhou et al. (2018) — de impactor-studie
De opzet:
- Twee roestvrijstalen kamers, één voor Donor-fretten, één voor Recipient-fretten
- Verbonden door een impactor — een plaat met gaatjes die deeltjes op grootte scheidt
- Vier verschillende impactors getest: 50% afvang-efficiëntie bij 9.9μm, 5.3μm, 2.5μm, en 1.0μm
- Luchtstroom uitsluitend van donor- naar ontvangerkamer via een vacuümpomp
- HEPA-filters op in- en uitlaat
Grote druppels (>10μm) worden door hun massa en traagheid tegen de impactieplaat geslagen. Alleen kleine aerosolen maken de bocht en bereiken de ontvanger.
Resultaten:
- Transmissie via deeltjes >1.5μm was succesvol
- Bij de 9.9μm en 5.3μm impactors: transmissie trad op
- Bij de 2.5μm impactor: gereduceerde transmissie
- Bij de 1.0μm impactor: géén transmissie via natuurlijke uitademing — maar wél bij kunstmatige verneveling van het virus
- Donors waren het besmettelijkst vóór koortsopzetting, en bleven tot 5 dagen besmettelijk
- Virale lading in de lucht correleerde met transmissiesucces
De implicatie: de besmettelijke deeltjes zitten in de fijne aerosol-fractie (1.5-10μm), niet in de grote druppels die binnen een meter neerslaan. Dit verklaart waarom ventilatie zo’n dramatisch effect heeft in de EMIT-studies — het verdunt precies deze deeltjesgroottes.
15. Kutter et al. (2012) — pandemische vs seizoensgriep in fretten
De opzet:
- Twee kamers verbonden door een 7×7×15cm tunnel met gaas aan beide uiteinden
- Luchtstroom 12 L/min van donor naar ontvanger
- Geen direct contact mogelijk — alleen wat door de tunnel zweeft
- Blootstelling: 3 uur (om echte menselijke blootstellingsduur te benaderen) én continue (>24u)
Resultaten:
- Continue blootstelling: robuuste transmissie
- 3-uurs blootstelling: wél virale RNA in de keel, maar onder de infectiedrempel
- Seizoensgriep produceerde meer virus in uitgeademde lucht, maar pandemische stammen waren efficiënter in transmissie dwz meer transmissie per uitgeademd virusdeeltje
- Dit toont aan dat transmissie-efficiëntie niet alleen van de hoeveelheid uitgeademd virus afhangt, maar ook van intrinsieke eigenschappen van de stam
16. Turgeon et al. (2019) — de driekamer-opstelling met particle separator
De opzet:
- Drie luchtdichte kamers in serie — index-fret in kooi 1, twee naïeve fretten in kooien 2 en 3
- Lucht stroomt van kooi 1 → kooi 2 → kooi 3
- Tussen kooi 2 en 3: een particle separator met instelbare afkapgrootte (5-8μm aerodynamische diameter)
- Kooi 2 ontvangt druppels + aerosolen; kooi 3 ontvangt alleen aerosolen
- Fretten verbleven 10-12 dagen in de opstelling — langdurige natuurlijke blootstelling
Resultaten:
- Influenzatransmissie via aerosols-only (kooi 3): 2 van de 3 experimenten
- Influenzatransmissie via aerosols + droplets (kooi 2): 3 van de 3 experimenten
De onontkoombare conclusie
De eerste paar genoemde studies spreken voor zich.
Bij de serial passaging geldt: als het een statisch toxine was, zou elke passage het sterk verdunnen. Je zou na 3-4 passages geen ziekte meer zien. Het moet zich dus vermeerderen in een gastheer om opnieuw een pathogene werking te krijgen (‘viraal’ aspect).
Je ziet zelfs het omgekeerde van verzwakken: de besmettelijkheid van de ziekte wordt sterker, het agens past zich aan, dezelfde mutaties verschijnen in onafhankelijke experimenten, en het ontwikkelt resistentie tegen antilichamen.
De fretten-experimenten bewjizen robuuste besmetting (via aerosolen).
Hoe dan ook: iets repliceert. Iets muteert. Iets evolueert. Een ziekte is overdraagbaar van individu naar individu. Dus nogmaals:
“Noem het een virus, een exosoom, een replicon, of een zichzelf vermenigvuldigend pathogeen agens – de naam verandert niets aan de realiteit: besmetting van een ziek naar een (vatbaar) gezond individu bestaat, is experimenteel reproduceerbaar, en de discussie over hoe we het moeten noemen leidt alleen maar af van de pandemie-handling: hoe kunnen we besmettingen voorkomen, matigen en behandelen.”
Nogmaals: het zijn de aerosolen
De gevolgen voor de volksgezondheid zijn verstrekkend, vooral omdat de huidige aanbevolen maatregelen om de verspreiding van COVID-19 te beperken, vooral gericht zijn op het bewaren van afstand, het dragen van mondkapjes in de nabijheid van anderen en het wassen van de handen. Wat overdracht via aerosolen betreft, zullen maatregelen zoals fysieke afstand van anderhalve meter binnenshuis niet helpen, een vals gevoel van veiligheid geven en leiden tot blootstelling en uitbraken. Gezien de huidige stijging van het aantal gevallen zijn duidelijke richtlijnen over beheersmaatregelen tegen SARS-CoV-2-aerosolen van groot belang om de COVID-19-pandemie te helpen indammen…
The public health implications are broad, especially as current best practices for limiting the spread of COVID-19 center on social distancing, wearing of face-coverings while in proximity to others and hand-washing. For aerosol-based transmission, measures such as physical distancing by 6 feet would not be helpful in an indoor setting, provide a false-sense of security and lead to exposures and outbreaks. With the current surges of cases, to help stem the COVID-19 pandemic, clear guidance on control measures against SARS-CoV-2 aerosols are needed
International Journal of Infectious Diseases, November 2020
De doofpotcommissie zit onbewogen te koekeloeren als er over de anderhalve-meter regel wordt gesproken. Het druppeldogma heeft ongelooflijk veel ellende gebracht.
Het dogma dat besmettingen van respiratoire ziektes via druppels en/of fomieten gaan creëert meer ruimte voor onderzoek waarbij een foutje -zoals een lab ongeluk- epidemische gevolgen kan hebben. Dankzij het druppeldogma wordt dat gevaar niet onderkend en worden experimenten eenvoudiger en goedkoper om uit te voeren.
De basisaanname voor elke besmettelijke respiratoire ziekte moet zijn dat besmetting plaatsvindt door de lucht, tenzij anders wordt bewezen. Hoe ongemakkelijk dat ook is voor virologen en farmaceuten.

