Er is helaas geen gesproken versie van dit artikel beschikbaar
Uitspraken van de gepensioneerde Amerikaanse viersterrengeneraal Wesley Clark uit 2007 zorgen opnieuw voor discussie over de rol van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten. In een interview met Democracy Now! verklaarde Clark destijds dat hij kort na de aanslagen van 11 september 2001 had vernomen dat er binnen het Amerikaanse ministerie van Defensie plannen circuleerden om binnen vijf jaar zeven landen aan te pakken: Irak, Syrië, Somalië, Libië, Soedan, Jemen en Iran.
Volgens Clark was de nasleep van 9/11 aangegrepen om een bredere geopolitieke strategie uit te voeren. Meerdere van deze staten zijn in de daaropvolgende decennia betrokken geraakt bij Amerikaanse militaire interventies of conflicten waarbij de VS een rol speelden.
De Australische oud-senator Gerard Rennick haalde deze uitspraken aan op platform X. Hij stelt dat wat eerder werd weggezet als complottheorie, grotendeels is uitgekomen – zij het over een periode van circa 25 jaar in plaats van vijf. Dit wijst erop dat plannen om Iran aan te vallen al lang vóór het presidentschap van Donald Trump bestonden, zegt Rennick. Daarmee suggereert hij dat dergelijke geopolitieke strategieën losstaan van individuele presidenten en eerder voortkomen uit bredere beleidslijnen binnen de Amerikaanse machtsstructuur.
Another conspiracy theory that’s come to fruition, except that it’s taken 25 years not 5 years.
Also shows that Trump is not the one running the show as the plans to invade Iran were drawn up years ago.
Who drew those plans up then and why? Who was making noises back then… pic.twitter.com/1x34TLq2JG
— Gerard Rennick (@RennickGBR) February 28, 2026
Rennick roept in zijn bericht meerdere vragen op over de oorsprong van deze plannen en de motieven daarachter. Hij vraagt zich af wie destijds pleitte voor een aanval op Iran en wie dergelijke strategieën ontwikkelde. Daarnaast stelt hij kritische vragen over de aanslagen van 11 september 2001 en de rol van terroristische organisaties als Al-Qaida en IS.
In zijn betoog wijst Rennick erop dat de Verenigde Staten in recente jaren in Syrië samenwerkten met groepen die tegenstanders van het regime-Assad waren, waarbij sommige facties in verband zijn gebracht met extremistische netwerken. Hij suggereert dat het opmerkelijk is dat organisaties als Al-Qaida en IS voornamelijk vijanden van het Westen hebben aangevallen en zelden westerse bondgenoten.
Verder verwijst Rennick naar de historische betrokkenheid van de CIA bij de staatsgreep in Iran in 1953. Toen werd de democratisch gekozen premier Mohammad Mossadegh afgezet, nadat hij had geprobeerd de Iraanse olie-industrie te nationaliseren en buitenlandse controle over de olieproductie te beperken. Deze gebeurtenis geldt als een belangrijk keerpunt in de Iraanse geschiedenis en speelt nog steeds een rol in het wantrouwen tussen Iran en het Westen.
Volgens Rennick tonen deze historische precedenten aan dat economische belangen – met name olie- en gasreserves – een centrale rol spelen in buitenlandse interventies. Hij verwerpt daarom het idee dat de militaire actie tegen Iran primair bedoeld zou zijn om democratie of mensenrechten te bevorderen. In zijn visie draait de confrontatie vooral om strategische controle over energiebronnen.
Tot slot spreekt hij de hoop uit dat de Iraanse bevolking niet opnieuw verwikkeld raakt in een langdurig en gewelddadig conflict en dat het land spoedig vrede en stabiliteit kan bereiken.
Over de auteur: Robin de Boer is economisch geograaf. Volg hem hier op Substack voor exclusieve content.
…
Interessant
.
