Er is helaas geen gesproken versie van dit artikel beschikbaar
Tijdens een debat in de Tweede Kamer heeft Forum voor Democratie-Kamerlid Pepijn van Houwelingen stevige kritiek geuit op de toenemende verwevenheid van de inlichtingendiensten, de wetenschap en de journalistiek. Volgens hem vormt deze ontwikkeling een fundamenteel risico voor de democratische rechtsorde, de vrijheid van meningsuiting en het vertrouwen van burgers in instituties. De reactie van de minister van Binnenlandse Zaken, die zich beriep op geheimhouding en bestaand toezicht, wist deze zorgen niet weg te nemen.
Internet onder het vergrootglas
Van Houwelingen begon zijn bijdrage met kritiek op het grote aantal recente rapporten van onder meer de AIVD en onderzoeksinstituten, waarin het vrije internet en sociale media worden neergezet als bronnen van polarisatie, haat en radicalisering. Deze rapporten schetsen een probleemdefinitie die vooruitloopt op het inperken van de online vrijheid van meningsuiting.
Hij vroeg de minister expliciet waarom deze rapporten zich vrijwel uitsluitend richten op sociale media – waar andersdenkenden relatief vrij kunnen opereren – terwijl traditionele media buiten schot blijven. Juist daar, zo stelde hij, is eveneens sprake van scherpe framing en demonisering van politieke tegenstanders, zonder dat dit leidt tot vergelijkbare waarschuwingen of analyses.
Anti-institutioneel extremisme
Een tweede belangrijk punt betrof het begrip anti-institutioneel extremisme, dat de AIVD de afgelopen jaren steeds vaker gebruikt. Van Houwelingen noemde dit een zorgwekkende categorie, omdat hiermee gewone systeemkritiek wordt geproblematiseerd of zelfs gecriminaliseerd.
In een vrije samenleving, zo betoogde hij, moet het wantrouwen tegenover instituties niet alleen toegestaan zijn, maar zelfs worden gekoesterd. Hij vroeg de minister dan ook of deze onderscheid maakt tussen kritiek en extremisme. Daarbij herhaalde hij een vraag die al meerdere keren onbeantwoord is gebleven: of de minister één concreet voorbeeld kan noemen van een anti-institutioneel extremist die is veroordeeld voor een fysiek geweldsmisdrijf.
Van Houwelingen wees erop dat bij andere vormen van extremisme – zoals jihadisme of links-extremisme – daadwerkelijk dodelijk geweld is gepleegd. Tegen die achtergrond vond hij de grote aandacht voor anti-institutionele groepen moeilijk te rijmen met de feitelijke dreiging.
Hieronder het antwoord van de minister, kort samengevat, de minister kan en wil niets (!) zeggen over de aard en intensiteit van de contacten die de AIVD met journalisten onderhoudt maar we hoeven ons hierover gelukkig geen zorgen te maken want we hebben een “uitstekend stelsel”,… https://t.co/lCoKcFVN2T pic.twitter.com/k99AP2KG7m
— Pepijn van Houwelingen (@PvanHouwelingen) January 8, 2026
Journalisten en de AIVD
Het meest gevoelige deel van het debat ging over de relatie tussen de AIVD en journalisten. Van Houwelingen verwees naar een rapport van toezichthouder CTIVD uit 2024, waarin wordt vastgesteld dat journalisten door de AIVD kunnen worden benaderd of ingezet. Dat feit op zich, zo stelde hij, is geen complottheorie maar officieel vastgesteld.
Dit tast de kern van de journalistiek aan. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat journalisten onafhankelijk opereren en de macht controleren. Als niet duidelijk is of journalisten banden hebben met inlichtingendiensten, wordt dat vertrouwen ondermijnd.
Hij plaatste dit in een bredere historische context, met verwijzingen naar eerdere praktijken van de BVD, buitenlandse voorbeelden zoals Operation Mockingbird van de CIA en de huidige banden tussen veiligheidsdiensten en universiteiten, bijvoorbeeld via door de NCTV gefinancierde leerstoelen. In zijn visie is sprake van een structurele samensmelting van diensten, wetenschap en media.
De vraag naar aantallen
Centraal stond zijn vraag hoeveel journalisten in Nederland banden
.

