• di. jan 27th, 2026

Er zijn verschillende soorten denktanks. Je hebt ook belangenorganisaties, zoals sommige milieugroepen, die niet echt als ‘denktank’ willen worden gezien—dat zijn eerder lobbygroepen en activistische organisaties. Die hebben wat mij betreft vaak bijgedragen aan vertroebeling, met extreem taalgebruik.

Ik zou ook de secretaris-generaal van de Verenigde Naties noemen. Ik vind hem de meest onverantwoordelijke stem over dit onderwerp ter wereld. Hij doet echt absurde uitspraken. Toen het zesde IPCC-rapport uitkwam, noemde hij het een ‘code rood’ en deed hij alsof het rapport allerlei alarmsignalen afgaf die er simpelweg niet in stonden. Hij verzon het. Ik begin dus bij hem: Guterres. Zeer onverantwoordelijk.

En als klimaatwetenschappers zulke uitspraken niet publiekelijk corrigeren, zitten ze misschien in een lastige positie. Maar ik vind dat ze actiever zouden moeten zijn in het bewaken van hun eigen kant van het debat.

De denktanks waar ik bij betrokken ben geweest, richten zich vooral op economisch beleid. Daar is veel overlap tussen denktankwerk en wat in de economische literatuur staat. Dit zal mensen misschien verbazen maar mainstream-economen zijn —gedurende mijn carrière sinds begin jaren ’90—nooit echt enthousiast geweest over streng klimaatbeleid. Ik heb weinig belangstelling gezien voor de Net-Zero agenda, simpelweg omdat de kosten niet opwegen tegen de baten. De economische analyses die ik via denktanks doe, lopen daarom vaak parallel aan wat in peer-reviewde economische tijdschriften gebeurt.

De denktankwereld, zeker in de VS, is enorm. Er zijn er ontzettend veel. Sommige focussen op wetenschap, andere op energie en stroomnetwerken. Van buitenaf lijkt het soms alsof het machtige blokken zijn die alles sturen, maar in werkelijkheid zijn het er zóveel dat geen enkele denktank het hele proces domineert—ze neutraliseren elkaar vaak.

20. Is er een klimaatmaatregel die u niet zozeer afwijst omdat ze ineffectief is, maar omdat ze in strijd is met een principe dat economen zouden moeten verdedigen—zelfs als de uitstoot daalt?

Dit geldt breder dan klimaatbeleid. De economische manier van denken over beleid—die ik steun—is dat we beleidsopties moeten zoeken die zo min mogelijk ingrijpen in de autonomie van mensen. Zeker als je twee maatregelen hebt die hetzelfde resultaat bereiken—één via vrijwillige marktmechanismen en één via de overheid die consumptiekeuzes en dagelijkse activiteiten voorschrijft—dan geven we sterk de voorkeur aan die eerste. Autonomie is op zichzelf al een waarde.

Bij klimaatbeleid is dat heel zichtbaar. Economen staan al lang sympathiek tegenover prijsmechanismen, bij voorkeur een CO₂-belasting. Je voert die in en laat vervolgens mensen zelf bepalen hoe ze reageren. Sommigen verminderen hun fossiele energiegebruik sterk, anderen minder en betalen liever meer. Maar je laat de keuze bij hen.

In de praktijk zagen we helaas dat beleidsmakers (zelfs in Canada, waar men in principe achter een CO₂-belasting stond) zodra de CO2-belasting er was, de economie toch massaal gingen sturen. Er kwamen meer dan 100 andere maatregelen bij: regels over welk soort lamp je mag kopen, welke wasmachine, welke auto, isolatie-eisen voor woningen, enzovoort.

Economen houden daar niet van omdat het inefficiënt is: de kosten schieten omhoog en de extra opbrengst is beperkt. Maar intuïtief voelen mensen ook dat het te ver gaat: het voelt als sociale controle. En als het dan ook nog weinig oplevert, wordt het des te problematischer.

21. Wat begrijpen mainstream-klimaatwetenschappers volgens u het minst van economenkritiek—en wat begrijpen economen het minst van de overwegingen van klimaatwetenschappers?

In mijn ervaring waarderen klimaatwetenschappers het nadeel van het beperken van toegang tot fossiele brandstoffen onvoldoende. Of ze denken dat we die eenvoudig kunnen vervangen en toch onze levensstandaard behouden—maar dat is niet zo.

Wat economen vaak onvoldoende begrijpen van de natuurwetenschappen: de meeste economen weten weinig van meteorologie, klimatologie, klimaatmodellering en de gebruikte datasets. Als er één punt is waarvan klimaatwetenschappers zouden willen dat economen het beter begrijpen, dan is het de mogelijkheid van niet-lineariteiten en onverwachte omslagen in een chaotisch klimaatsysteem.

22. Zijn er aspecten van de mainstream-klimaatwetenschap die volgens u opnieuw serieuzer geëvalueerd moeten worden?

Ja: attributie, en met name optimal fingerprinting; methoden die proberen vast te stellen in hoeverre waargenomen klimaatveranderingen door menselijke invloed worden veroorzaakt. Ik denk dat er veel simpelweg foute resultaten in de literatuur staan. Het IPCC omarmde een methode die zelfs veel beoefenaars niet echt begrepen, maar men vond het prettig dat deze methode vaak ‘positieve’ resultaten opleverde, zonder grondig te toetsen of het statistisch wel valide is. Dat moet serieus herzien worden. Dat zeiden we ook in het DOE-rapport. Bij de reacties viel het op dat bijna niemand daar inhoudelijk op inging.

Een ander punt is attributie van extreem weer. Dat is inmiddels mainstream geworden. Ook daar zie je een methode die snel is omarmd zonder degelijke beoordeling van de tekortkomingen—en omdat ze vaak resultaten geeft die men graag hoort. Men zou veel voorzichtiger moeten zijn.

Er zijn overigens onderzoekers op dat terrein die wel degelijk voorzichtig zijn. Een kritiek die we kregen was dat we scherp waren over de focus op World Weather Attribution: een groep met een enorme PR-machine en veel media-aandacht. Sommige critici zeiden: “scheer ons niet allemaal over één kam.” Dat klopt: er zijn veel serieuze onderzoekers die niet overhaast conclusies trekken.

Maar ik vrees dat de dominante spelers dezelfde fout gaan maken als eerder: zoals bij de hockeystick, zoals bij optimal fingerprinting—een methode omarmen die men onvoldoende begrijpt omdat men de uitkomsten prettig vindt.

23. In uw ervaring: hoeveel van het Amerikaanse klimaatbeleid wordt gedreven door wetenschappelijk bewijs, en hoeveel door politieke of economische overwegingen?

Heel weinig door wetenschap. Als je een probleem volledig tegen lage kosten kunt oplossen, zullen mensen eerder de wetenschappelijke adviezen volgen. Bij CFK’s en de ozonlaag was er een relatief goedkope oplossing: een vervanging was beschikbaar, er waren weinig commerciële belangen bij de oude stoffen, dus een verbod was haalbaar.

Bij klimaat ligt dat anders: het gaat om fossiele brandstoffen. Elk land is afhankelijk van olie, gas en steenkool voor zijn welvaart en levensstandaard. Dan wordt beleid onvermijdelijk fel politiek.

Bovendien is de wetenschap onzeker. De discussie is niet of CO₂ een broeikasgas is, maar hoe groot het effect is en hoeveel schade dat oplevert. Dat zijn moeilijkere vragen, en die onzekerheden worden vaak gevuld met politiek.

24. Terugkijkend: wat onthulde Climategate over normen in de klimaatwetenschap—zoals het delen van data en peer review—dat echt moest worden hervormd?

Mensen hechten veel te veel waarde aan het label ‘peer reviewed’. Veel mensen dachten: als iets in een peer-reviewtijdschrift staat, dan heeft een team reviewers de data gecontroleerd en de fouten eruit gehaald. Climategate liet zien: zo werkt het meestal niet. Peer reviewers kijken zelden naar de data en proberen zelden analyses te reproduceren. De review kan vrij oppervlakkig zijn.

Een andere verrassing was hoe grote rapporten zoals die van het IPCC, tot stand komen. De retoriek was: er zijn duizenden topwetenschappers die alles zorgvuldig afwegen. In de praktijk zijn het kleine groepjes die secties schrijven en onderling bepalen wat ze willen zeggen. Tegenbewijs kan men makkelijk negeren als men dat wil. Dat gaf mensen een realistischer beeld van hoe zulke rapporten daadwerkelijk worden samengesteld.

25. Heeft u ooit financiering ontvangen vanuit de olie- en gasindustrie voor uw onderzoek?

Nee. Het meeste van mijn onderzoek krijgt helemaal geen financiering. Ik zit nu in een fase waarin ik publieke datasets gebruik en R, dat gratis is. Ik heb geen lab, geen personeel, en hoef geen assistenten te betalen.

De financiering die ik vroeger ontving kwam van de federale overheid, via de Social Sciences and Humanities Research Council. Ik heb één keer een subsidie gehad van een door George Soros gefinancierde organisatie: het Institute for New Economic Thought. Dat was eenmalig.

Verder heb ik al lange tijd geen externe onderzoeksfinanciering, juist omdat ik geen lab run en geen middelen nodig heb.

26. Als je de politiek wegdenkt: wat toont de hockeystick-episode volgens u over de sterke punten en beperkingen van paleoklimaat-reconstructies?

Het punt dat Steve (McIntyre red.) en ik probeerden te maken, is dat de gebruikte methode gebrekkig was—simpelweg fout—en toch door veel wetenschappers werd hergebruikt. Ze namen Mann’s foutieve principal component-algoritme over. Ik denk dat men dat deed omdat men de uitkomst aantrekkelijk vond: het leverde een mooi hockeystick-beeld op.

Het IPCC nam die uitkomst over, terwijl er tegelijkertijd andere reconstructies bestonden die niet hetzelfde beeld gaven. Die werden genegeerd. Men benadrukte de hockeystick en promootte die sterk.

Dat hele incident laat, denk ik, zien (u noemde eerder gemotiveerd redeneren) dat er in de leiding van het IPCC gemotiveerd redeneren plaatsvindt. Men heeft een verhaal dat men wil uitdragen en zoekt actief naar studies die dat ondersteunen. Soms leidt dat tot een juist antwoord, maar hier negeerde men tegenbewijs en steunde men op een foutieve studie. Dat leidde tot verkeerde conclusies.

27. U heeft vaak hogere schattingen van klimaatgevoeligheid betwijfeld. Welke bandbreedte acht u nu het meest robuust—en waarom?

Voor klimaatgevoeligheid verwijs ik liever naar iemand als Nic Lewis, die veel dieper in de statistische analyse zit. In het werk dat John Christy en ik hebben gedaan, hebben we het vooral benaderd vanuit de vraag: welke modellen reproduceren het waargenomen klimaatverloop het best?

Het antwoord is: de modellen met de laagste klimaatgevoeligheid. Zelfs dan zie je, vooral in de midden-troposfeer, nog te veel opwarming en te veel versterking met teoenemende hoogte.

Op basis daarvan zou ik zeggen: de modellen met de laagste klimaatgevoeligheid—momenteel ongeveer in de bandbreedte van 1,8 tot 2,5 °C—zijn degene die het dichtst bij de werkelijkheid lijken te zitten. Dáár zou de focus moeten liggen als we willen begrijpen hoe gevoelig het klimaatsysteem werkelijk is.

In het DOE-rapport bespreken we ook argumenten waarom het systeem mogelijk gevoeliger kan zijn dan sommige modellen suggereren—bijvoorbeeld door toekomstige pattern effects die de gevoeligheid versterken. Dat is belangrijk onderzoek. Maar het belangrijkste pattern effect waarover veel gesproken wordt, betreft een temperatuurgradiënt in de tropische Grote Oceaan. Historische data laten juist het tegenovergestelde zien van wat modellen voorspellen: die gradiënt wordt niet sterker zoals de modellen zeggen dat zou moeten gebeuren. Critici geven wel toe dat dit is wat de data laten zien, maar stellen dat het in de toekomst kan veranderen. Daar sta ik voor open, maar het is op dit moment een zwak argument.


Source: https://clintel.nl/ross-mckitrick-over-klimaatmodellen-economische-effecten-en-het-doe-rapport/

.


Door Clintel

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *