Het centrale argument van klimaat- en beleidsonderzoeker Roger Pielke is dat het extreme klimaatscenario RCP8.5 (dat nu eindelijk officieel is verworpen) niet simpelweg door een paar onderzoekers verkeerd werd begrepen: institutionele keuzes hebben ertoe bijgedragen dat een onwaarschijnlijk scenario de facto het uitgangspunt werd voor het beoordelen van klimaatrisico’s, economische schade en de gevolgen van de opwarming van de aarde.
U kunt de volledige presentatie hieronder bekijken:
De gevolgen van de dominantie van RCP8.5 zijn verstrekkend geweest. Onderzoek op basis van RCP8.5 heeft overheidsbeoordelingen, berichtgeving in de media en beleidsdebatten beïnvloed, waarbij vaak de indruk werd gewekt dat de wereld afstevende op de meest extreme uitkomsten. Pielke stelde dat de geschiedenis van RCP8.5 een waarschuwing is voor wat er gebeurt wanneer het onderscheid tussen een hypothetisch scenario en een geloofwaardige prognose verloren gaat.
Van nuttig hulpmiddel tot misleidende referentie
Pielke begon met een onderscheid te maken tussen scenario’s die bedoeld zijn om mogelijkheden te verkennen en scenario’s die bedoeld zijn om een aannemelijke toekomst weer te geven. Scenario’s kunnen onderzoekers helpen te onderzoeken wat er onder verschillende aannames zou kunnen gebeuren. Maar hun nut hangt af van hoe ze worden geïnterpreteerd en toegepast. Een extreem scenario kan waardevol zijn voor het testen van een klimaatmodel of het verkennen van een worstcase-scenario, zonder dat het een realistische verwachting is van wat er daadwerkelijk in de wereld zal gebeuren.
Het eerdere Special Report on Emissions Scenarios, gepubliceerd in 2000, volgde dit principe. Het presenteerde 42 scenario’s zonder er één aan te wijzen als basis-referentie of -lijn. Zoals Pielke uitlegde, waren ze bedoeld om verschillende mogelijke ontwikkelingen weer te geven, afhankelijk van de keuzes die samenlevingen maken.
De daaropvolgende ontwikkeling van de Representative Concentration Pathways (RCP’s) creëerde echter een andere situatie. Deze trajecten waren aanvankelijk bedoeld als input voor klimaatmodellering. Het was niet de bedoeling dat ze zouden uitgroeien tot universele voorspellingen voor overheden, financiële instellingen en economische beoordelingen.
Pielke beschreef een fundamenteel probleem in de manier waarop de onderzoeksgemeenschap deze scenario’s benaderde. Er bestond een prikkel om de praktische relevantie van klimaatonderzoek aan te tonen, omdat dat hielp bij het rechtvaardigen van financiering en beleidsaandacht. Dit is de “erfzonde” achter de latere verwarring over de rol van scenario’s.
Het probleem was niet simpelweg dat er extreme scenario’s bestonden. Het was dat het onderscheid tussen het verkennen van een mogelijkheid en het beschrijven van de toekomst vervaagde.
Hoe RCP8.5 de status van ‘business as usual’ kreeg
RCP8.5 is een traject met zeer hoge emissies. Het kreeg vooral invloed omdat het steeds vaker werd behandeld als een ‘business as usual’-scenario: een beschrijving van waar de wereld terecht zou komen zonder ingrijpende koerswijzigingen.
Volgens Pielke was dit niet wat het oorspronkelijke kader had beoogd. Aanvankelijk waren verschillende trajecten bedoeld als referentiepunten, maar ergens onderweg ging dit onderscheid verloren. RCP8.5 kwam naar voren als het dominante referentiescenario, ondanks waarschuwingen dat de verschillende trajecten waren opgebouwd vanuit verschillende modelleringskaders en niet zomaar konden worden behandeld als onderling uitwisselbare versies van dezelfde toekomst.
Pielke benadrukte de rol van de klimaatmodelleringsgemeenschap in dit proces. Het Coupled Model Intercomparison Project (CMIP) hielp bepalen welke scenario’s prioriteit zouden krijgen voor gebruik door klimaatonderzoekers. RCP8.5 werd aangewezen als referentiescenario, ook al was de wetenschappelijke gemeenschap, zoals hij vertelde, hiervoor gewaarschuwd.
Dit institutionele besluit verklaarde mede waarom RCP8.5 zo gangbaar werd in gepubliceerd onderzoek. Wetenschappers die het gebruikten, oordeelden niet noodzakelijkerwijs expliciet dat dit de meest waarschijnlijke toekomst was. Maar zodra het scenario als uitgangspunt werd behandeld, konden latere studies het overnemen zonder de aannames ervan opnieuw te toetsen.
Met andere woorden: de invloed van het scenario was niet louter het resultaat van zijn wetenschappelijke verdiensten. Zijn institutionele status was mede bepalend voor de manier waarop het werd gebruikt.
Een extreem scenario dat afweek van de werkelijkheid
Pielke stelde dat de aannames achter RCP8.5 meteen al zeer moeilijk te verdedigen waren en steeds onwaarschijnlijker werden naarmate de energieontwikkelingen in de praktijk zich ontvouwden.
Een van de duidelijkste voorbeelden is steenkool. RCP8.5 voorspelde een verachtvoudiging van het energieverbruik uit steenkool in de loop van de eeuw – ongeveer vijf keer het niveau van de bewezen steenkoolreserves die in Pielkes presentatie werden genoemd. Toch was het aandeel van steenkool in de wereldwijde energiemix al aan het afnemen tegen de tijd dat de RCP’s werden gepubliceerd.
Het scenario ging er ook van uit dat steenkool op grote schaal zou worden gebruikt voor de productie van vloeibare brandstoffen voor voertuigen, ter vervanging van aardolie en diesel. Tegelijkertijd voorspelde het een afnemend aandeel voor technologieën zoals windenergie en kernenergie. Deze aannames weken steeds verder af van de richting waarin de daadwerkelijke energieontwikkeling zich bewoog.
Pielke prees het door Justin Ritchie geïnitieerde onderzoek dat de onwaarschijnlijkheid van het scenario aantoonde. Volgens hem had het probleem veel eerder onderkend moeten worden, in plaats van dat RCP 8.5 jarenlang als standaardreferentiepunt bleef fungeren. RCP 8.5 is nooit plausibel geweest.
De gevolgen van deze discrepantie reikten verder dan klimaatmodellering. Onderzoek op basis van RCP 8.5 werd gebruikt om extreme klimaateffecten, economische schade en de maatschappelijke kosten van koolstof te beoordelen. Pielke merkte op dat een groot deel van de schade die in diverse methodologieën voor de maatschappelijke kosten van koolstof wordt berekend, voorkomt in prognoses waarbij sprake is van een opwarming van meer dan 3 °C tegen 2100. Dat roept een belangrijke vraag op: wat gebeurt er met deze schattingen als de wereld niet zo’n extreem emissietraject volgt?
De zorg is niet dat scenario’s met grote gevolgen nooit bestudeerd mogen worden. Het gaat er veeleer om dat een scenario dat is ontworpen om een extreme mogelijkheid te onderzoeken, niet automatisch de centrale aanname mag worden achter economische en beleidsbeslissingen.
Waarom het scenario zo invloedrijk werd
Toen RCP8.5 eenmaal een standaardreferentiepunt was geworden, kreeg het een eigen dynamiek. Onderzoekers konden voortbouwen op eerder werk, terwijl tijdschriften, universiteiten en de media prikkels hadden om aandacht te schenken aan dramatische bevindingen. Een studie die ernstige gevolgen voorspelde in een extreem scenario kon meer aandacht trekken dan een studie die een minder alarmerende maar meer aannemelijke toekomst onderzocht.
Het resultaat, zo betoogde Pielke, was een vicieuze cirkel. RCP8.5 raakte ingeburgerd in de literatuur, deels omdat het was aangewezen als referentiescenario; het wijdverbreide gebruik ervan versterkte vervolgens de indruk dat het een passende weergave was van ‘business as usual’.
Het scenario speelde ook een prominente rol in belangrijke evaluaties. Pielke wees op de Amerikaanse National Climate Assessment, waarin RCP8.5 een substantiële rol speelde. Prognoses van grote economische verliezen tegen het einde van de eeuw kregen vervolgens veel media-aandacht. Toen de aannames achter die prognoses niet voldoende werden toegelicht, kon het publiek een voorwaardelijke uitkomst gemakkelijk verwarren met een waarschijnlijke voorspelling.
Hetzelfde probleem deed zich voor in de bredere wetenschappelijke literatuur. Pielke merkte op dat extreme scenario’s in duizenden artikelen bleven verschijnen, zelfs nadat hun zwakke punten steeds duidelijker waren geworden. Hij benadrukte ook hoe moeilijk het is om een gangbare opvatting te corrigeren als deze eenmaal ingeburgerd is: onderzoekers, beleidsmakers en journalisten kunnen vertrouwde aannames blijven gebruiken, lang nadat de oorspronkelijke grondgedachte daarvoor is verzwakt.
Een correctie die het publiek nog niet heeft bereikt
Pielke juichte de recente correctie toe, waarbij de meest extreme emissietrajecten niet langer als plausibele referentiescenario’s worden behandeld. Maar hij waarschuwde dat veranderingen in wetenschappelijke beoordelingen niet automatisch leiden tot veranderingen in het publieke begrip of het overheidsbeleid.
Oudere studies blijven beschikbaar en worden nog steeds geciteerd. Lokale overheden en andere organisaties kunnen nog steeds gebruikmaken van beoordelingen die zijn gebaseerd op verouderde scenario’s. Ondertussen kunnen sensationele krantenkoppen nog lang blijven bestaan nadat de onderliggende aannames zijn herzien.
Voor Pielke is de les dat de scenariokeuze transparanter moet zijn en regelmatig opnieuw moet worden getoetst aan de hand van ontwikkelingen in de echte wereld. Extreme scenario’s kunnen nog steeds een doel dienen in wetenschappelijk onderzoek, maar ze moeten duidelijk als zodanig worden aangemerkt. Beleidsmakers moeten weten of een beoordeling een geloofwaardige verwachting, een voorwaardelijke mogelijkheid of een extreme stresstest beschrijft.
Het is ook een kwestie van verantwoordingsplicht. Een relatief kleine groep deskundigen kan beslissingen nemen over scenario’s die vervolgens wereldwijd van invloed zijn op klimaatonderzoek, financiële regelgeving en overheidsbeleid. Pielke vroeg zich af of het beheer van dit proces wel voldoende onder de loep is genomen, gezien de gevolgen van het behandelen van een bepaald scenario als uitgangspunt.
Het debat over de klimaatcrisis: de conclusie van Pielke
Tijdens de vraag-en-antwoordsessie breidde de discussie zich uit van scenario’s naar het politieke debat over klimaatverandering. Pielke merkte op dat de afgelopen jaren een meer pragmatische benadering van het energie- en klimaatbeleid terrein had gewonnen. Het werd voor regeringen steeds moeilijker om energiezekerheid en betaalbaarheid ondergeschikt te maken aan klimaatdoelstellingen, met name in Europa.
Pielke stond ook stil bij het debat over de vraag of de samenleving te maken heeft met een klimaatnoodtoestand – en daarom klimaatdoelstellingen boven andere prioriteiten moet stellen. Volgens zijn inschatting is dat debat gewonnen door degenen die die framing verwerpen, waaronder mensen en organisaties zoals Clintel. “Ik denk dat die strijd voorbij is. Hij is gewonnen.”
Dit mag niet worden verward met de bewering dat klimaatverandering niet plaatsvindt of dat deze geen gevolgen heeft. Pielkes betoog ging over het politieke narratief en de prioriteiten die het beleid zouden moeten sturen.
Hij pleitte voor een constructievere focus op het waarborgen dat iedereen toegang heeft tot veilige, betaalbare en overvloedige energie, terwijl het klimaatbeleid één van de vele overwegingen blijft.
De geschiedenis van RCP8.5 illustreert waarom dat onderscheid van belang is. Een scenario dat bedoeld was om een extreme toekomst te verkennen, kreeg de status van een referentiepunt en heeft decennia van onderzoek en publiek debat mede vormgegeven. Pielkes belangrijkste waarschuwing was niet gericht tegen het bestuderen van worstcase-scenario’s, maar tegen het verwarren ervan met realistische verwachtingen. Voor beter klimaatbeleid, zo stelde hij, zijn zowel gedegen wetenschap als een duidelijk begrip nodig van wat het bewijsmateriaal daadwerkelijk over de toekomst zegt.
Source: https://clintel.nl/klimaatscenario-rcp85-roger-pielke/
.


