*
‘Grafgeheimen aan het licht’...!
2026 © DeAndereKrant – Hedda Schut![]()
deze versie WantToKnow.nl/be
*
Maarten Oversier (1962) was ooit de jongste chef-kok van Nederland, maakte furore in het Rotterdamse Parkhotel. Daar ook gingen soms de luxaflex van zijn kantoor dicht, als hij een gast had die niét voor zijn gerechten kwam, maar met diepe levensvragen. Oversier hierover:
“Toen had ik al een therapeutische hang naar wat ik nu doe, naar het mystieke dat ik beter, dieper wilde begrijpen. Ik had daarvoor ook een gevoeligheid — je zou het paranormaal kunnen noemen. Als kind had ik dat al, maar ik kon erniet echt mee uit de voeten, omdat het in mijn familie geen weerklank vond, het niet werd herkend. Het bleef zich wel aan mij opdringen.”
De alchemie van het koken fascineerde Oversier al vanaf zijn jeugd.
“Onwijs, omdat je daar invloed mag hebben op de smaakbeleving, de combinatie van kleuren, smaken en geuren. Als je iets maakte wat gasten heel bijzonder vonden, gaf dat een magische flow. Die passie móet je ook hebben als chef-kok.
Met mijn goede vriend en chef-kok Herman den Blijker praat ik nog steeds over hoe je met interacties iets kunt helen, ook in gerechten. Die kunnen verzuren, verbitteren, indrogen, te zout zijn of te lang gegaard, waardoor ze niet te hachelen zijn. Dat zijn allemaal metaforen waarmee je menselijke processen in een therapiewereld ook kunt uitdrukken. Herman zegt: ‘Ik haal saus uit de schift, jij haalt mensen uit de schift’.”
Op zijn 36e kiest Oversier definitief voor zijn therapeutische werk. Hij is ervan overtuigd dat wij worden beïnvloed door wie wij in vorige levens waren en dat ook de ervaringen van onze voorouders doorwerken in ons dagelijkse leven. Als chef-kok ervaart hij bovendien hoe slopend zijn vak kan zijn; daarbij wil hij voor zijn kinderen de vader zijn, die hij zelf nooit had en overleed toen Maarten Oversier 3 jaar was. Hij verlangt dan ook naar nog meer ‘verdieping’ in zijn snelgroeiende praktijk:
“Ik voelde dat als ik mezelf met vorige levens en voorouderlijke invloeden ging bezighouden, je oorzaken van chronische ziekte en geestelijke aandoeningen op een veel diepere laag zou kunnen begrijpen, je de grotere samenhangen kon gaan zien. Daarbij kon mijn extra zintuig helpen. Ik zag ook dat besef over die samenhangen vaak niet bestond en vond het een uitdaging die wereld voor anderen in kaart te brengen.”
Hij volgt een opleiding in reïncarnatietherapie, trainingen en cursussen en krijgt intense contacten met de Noord-Amerikaanse en Canadese natives. Van hun medicijnmannen en -vrouwen en wijzen (elders) krijgt hij pas echt inzichten over de rol van voorouders in ons leven en hoe belangrijk het is hen te ontmoeten. Dat onuitgesproken en onverwerkte voorouderlijke trauma’s kunnen doorwerken in ons eigen leven.
Wat sommigen nog een spirituele dimensie noemen, blijkt nu ook wetenschappelijk uitlegbaar vanuit de epigenetica. Hierin is aangetoond dat intense traumatische ervaringen en levensomstandigheden —ziekten, verslavingen, gevoeligheid, huiselijke omstandigheden, de plek waar je
opgroeit en kwesties over geld en zekerheid bijvoorbeeld — zich uitdrukken in ons DNA, waardoor die kunnen worden overgeërfd door het nageslacht. Het levert Oversier noch immer een intens leerproces op:
“In de ruim dertig jaar waarin ik als regressie- en reïncarnatietherapeut werk, begeleidde ik meer dan 17.000 sessies. Door die veelheid kon ik goed toetsen hoe mijn therapie werkt. Telkens kreeg ik nieuwe levensverhalen, waardoor ik logische verbanden zag in de problematiek, overeenkomsten in hoe mensen schakelen onder traumatische omstandigheden en waar ziektebeelden en patronen vandaan komen. De bron daarvan vond ik vooral in drie specifieke historische domeinen — de twee recente wereldoorlogen en de katholieke kerk —met vooral angst- en schuldthema’s.”

Met aandachtsconcentratie creëert Oversier bij zijn cliënten een diepere afstemming die trance heet. Daarmee komen zij in het veld van hun onderbewustzijn, vanwaaruit het mogelijk is verbinding te maken met vorige levens. In die staat kunnen zij ook fungeren als doorgeefluik voor een voorouder die zijn trauma heeft meegenomen in zijn graf, maar die zijn verhaal alsnog vertelt.
“Het je in verbinding kunnen stellen met deze herbelevingsgebieden is gebaseerd op een spirituele wetmatigheid. Dat wat de kist in ging altijd weer opdoemt in een ander jasje, in een volgende generatie. Tot het trauma geheeld wordt. Ik leg het vaak uit aan de hand van een knikkerzak. Daarin zitten unieke, schitterende exemplaren.
Er zitten ook gebutste, mat geworden knikkers in met stukjes eruit. Jouw ziel — die wil evolueren, alles wil uitwerken — is als het ware die knikkerzak. In ieder leven ben je een van die knikkers, min of meer bewust verbonden met de andere exemplaren, en daarmee met ervaringen uit vorige levens en lijnen die ook naar voorouders en hun trauma’s lopen.
Sommigen hebben hun leven onaf achtergelaten, zonder veel besef over hun beschadigingen. In die lichte trancestaat, vanuit dat onderbewustzijn, kunnen we hun aanspreken. Hun onverwerkte verhalen en trauma’s kunnen bij jou signalen afgeven in de vorm van klachten — het doet hier pijn, ik ben onzeker, ik voel altijd schuld, ik ben depressief — omdat die zijn doorgegeven via DNA waarop dat trauma vastzit.
In die knikkerzak kun je ook verbinding maken met een vorig leven: met feitelijke omstandigheden waarin jij je bevond, die zorgden voor trauma en huidige klachten. Pijn, onrust, schuldgevoelens of angst kun je zo ook aan de oppervlakte brengen, verwerken en helen, waardoor dat knikkertje zijn oorspronkelijke vorm weer kan aannemen. Dit heeft een positief steen-in-de-vijver-effect op andere zaken in jou die niet per se therapeutische aandacht nodig hebben.”
Oversier geeft een voorbeeld: iemand kwam met vergevorderde anorexia in zijn praktijk. In trance gebracht, vertelde de cliënt een ouder zusje te hebben dat doodgeboren ter wereld was gekomen.
“Dat zusje duldde niet dat zij niet mocht leven, geen bestaansrecht had. Zij ontmoedigde de cliënt al heel zijn leven door deze bij iedere hap in te fluisteren dat eten niet verdiend was, dat dit niet mocht. Bij de cliënt ging een programma lopen: ‘Ik verdien het niet om te leven’, waarna de anorexia ontstond. De ongezonde lijn die dat doodgeboren zusje met de cliënt had, heb ik weten los te maken. Vervolgens kwam de cliënt in een vorig leven: in de hongerwinter was hij een verweesd jongetje met een jonger broertje.
Het jongetje voelde zich verantwoordelijk voor het voeden van zijn broertje. Alles wat hij te pakken kreeg, mocht hij niet eten van zichzelf — ten bate van zijn broertje. Het totale patroon van de anorexia kwam daarmee naar boven. Dat hele schuldcomplex viel op zijn plek. Dit soort ervaringen, die ik duizenden keren voorbij heb zien komen, staan niet op zichzelf. Zij brengen een heel veld in kaart waarvan we in het algemeen nog nauwelijks besef hebben.”
Dat begrip is wel nodig om onder de knechting van de mensheid uit te komen, zegt Oversier. Hij is ervan overtuigd dat we onder de duim worden gehouden door een orde die een kunstmatige versie van de oorspronkelijke schepping wil implementeren waaruit alle menselijkheid is verdwenen. Zoals Yuval Hahari, invloedrijk en omstreden raadgever van globalistische organisaties als het WEF, uitlegt dat wij in zijn optiek tot de laatste generatie Homo Sapiens behoren. Hij voorspelt een overstap naar de transhumane mens.
“Het is een slinkse verplaatsing van de oorspronkelijke, spiritueel organische wereld naar een kunstwereld. In die variant is geen plaats voor de natuurlijke principes van ons geheugen en onze intuïtie, laat staan voor liefde. De mogelijkheid om voorouderlijke informatie tot je te kunnen nemen, wordt daarmee uitgesloten. Dus de Great Spirit, zoals de Indianen het goddelijke oerprincipe noemen, wordt nu een denkbeeldige IBM-cloud of iCloud.
Als alternatief voor die voorouderlijke informatie wordt ons direct opvraagbare AI-input door de strot geduwd, waarvan je maar moet aannemen dat die klopt. Daarmee wordt veel angst gecreëerd en onwetendheid in stand gehouden.”
Op zielsniveau leveren we dus een soort slijtageslag en raken verbindingen op spiritueel niveau en met voorouders verbroken. Oversier stelt:
“We worden een soort ‘kunstpersoon’, een technologische vervanging van de gewone mens. We moeten worden onthecht van de verbinding met onze werkelijke oer-informatiebronnen. Zodra kinderen naar school gaan, worden ze massaal de cognitie ingeduwd. Vervolgens leren ze hoe belangrijk het is carrière te maken en een lucratieve positie in de maatschappij te vinden — bij voorkeur om voor dezelfde firma’s te werken die de agenda’s uitrollen. Binnen enige marge mogen we wat bewustzijnsverschuivingen meemaken, maar we moeten vooral niet ontdekken wat werkelijk gaande is.”
Die totale kunstmatige, technologische samenleving gaat er alleen niet komen, denkt hij. Oversier ziet dat in ons bewustzijn een omslagpunt aanstaande is, een voorspelling die veel inheemse culturen al deden.
“Dat nieuwe potentieel in ons bewustzijn zal ons op een ander plan brengen, waardoor we alles in grotere samenhang gaan zien. Regressie- en reïncarnatietherapie kan daarin een sleutelfunctie hebben, omdat we daarmee ons weer kunnen verbinden met onze werkelijke informatiebronnen, In mijn praktijk zie ik dat degenen die zich hebben verbonden met hun voorouders, autonomer worden en minder ontvankelijk voor bemoeienissen van buitenaf. Dat is de magie van dit werk, die me nog steeds een kinderlijk enthousiasme geeft als ik zie hoe die werkt.”
Hij vindt dat Voorouderlijk Besef eigenlijk een vak op school zou moeten zijn, omdat het op latere leeftijd een hoop narigheid kan voorkomen. Kinderen zouden laagdrempelig inzicht moeten leren krijgen in hun eigen familiestructuren — ‘Waarom was oma niet zo aardig? Omdat ze misschien verdrietig was? Waarover dan? Kun je daarover een tekening maken voor oma? Denk jij dat ze blij is dat we het even over haar hebben gehad?’
Met die tekening en een gesprek kun je traumatische gebeurtenissen binnen een familie al vertalen. Oma komt daarmee in een ander daglicht. Haar situatie krijgt bestaansrecht, omdat er ‘preventief’ besef is ontstaan op wat haar is overkomen. De niet vertelde, opgesloten verhalen van onze voorouders kunnen niet sterven. Maar nu oma zich gekend en erkend voelt door haar eigen nageslacht, kan hun DNA-structuur helen doordat het trauma dat zich daarop had vastgezet, is opgelost.
Oversier heeft zijn sporen wel verdiend.
Zijn bestseller Bestaansrecht (2021) wijdde hij aan dit onderwerp en inmiddels is -begin september- zijn nieuwe boek ‘Grafgeheimen aan het licht’ verschenen. Toch zou hij van de daken willen schreeuwen dat zijn werk geen ‘spirituele bypass-hobby’ is maar een manier om terug te keren naar je diepste zelf.
“Oorspronkelijk zou je als mens geen moeite moeten doen om spiritueel verbonden te blijven. Het is je natuur. De Noord-Amerikaanse Irokezen zeggen dat je hier bent voor een ‘earthwalk’. Om te leren hoe je op deze planeet kunt leven, terwijl je je ervan bewust bent dat je spiritueel verbonden bent. Maar we zijn afgedwaald door de eeuwenlange doctrine van instituten.
Onze vaders, moeders, opa’s en oma’s zijn het normaal gaan vinden dat ze voor hun levensvragen, gezondheid en geldzaken een autoriteit raadplegen die ervoor geleerd heeft. Voor de ziel is dat een heel idioot principe. De ziel zou uitgangspunt moeten zijn voor iedere wezenlijke levensvraag. Als je je oorspronkelijke levenspad loopt, krijg je vanzelf antwoord op die vraag, omdat alles al in jezelf besloten ligt.
Met jouw euvel of conflict zou de indiaan zeggen: ‘Go ask your grandmother, go ask your grandfather’.
Zelfs als zij al dood zijn.De inheemsen weten dat de wijsheid die ertoe doet primair gelegen is in je eigen voorgeschiedenis, gestoeld op de grondvesten van eerdere generaties. Dat zou de eerste vraagbaak moeten zijn. Maar daar weten we geen fuck meer van.”


