“Een paar uur nadat het stuk digitaal was ingediend, werd ik opgehaald door de schaduw van een systeem dat de waarheid vreest. In de kille stilte van mijn cel, omringd door de echo’s van mijn eigen gedachten, werd ik geconfronteerd met de absurditeit van een wereld waarin rechtvaardigheid een illusie is. Terwijl de muren om me heen samendrukten, groeide mijn vastberadenheid om de stemmen van de onderdrukten te laten weerklinken.”
“Een paar uur nadat het stuk digitaal was ingediend, ben ik opgehaald.”
Voormalig advocaat Arno van Kessel blikt in een interview met De Andere Krant voor het eerst uitgebreid terug op de ruim acht maanden die hij doorbracht op de terroristenafdeling van de Penitentiaire Inrichting Vught. In een indringend relaas beschrijft hij zijn arrestatie, de psychische en lichamelijke gevolgen van zijn hechtenis, zijn groeiende wantrouwen jegens de rechtsstaat en zijn overtuiging dat zijn detentie direct verband houdt met de juridische strijd die hij voerde tegen de Nederlandse Staat en prominente coronabeleidsmakers.
Na 260 dagen voorlopige hechtenis is Arno van Kessel een zichtbaar aangeslagen man. De voormalig advocaat kampt naar eigen zeggen met posttraumatische stressklachten, stressreuma en chronische slaapproblemen. Nachtelijke controles in de gevangenis – het geluid van zware laarzen, rinkelende sleutels, openslaande kijkluikjes en plots aanspringende ledverlichting – keren nog dagelijks terug in zijn hoofd. “Mijn slaapritme is totaal ontregeld geraakt,” zegt hij. Toch overheerst bij hem niet de verslagenheid, maar de vastberadenheid. “Ik ben beschadigd, maar geestelijk niet gebroken.”
Arrestatie na indiening coronabodemprocedure
Van Kessel werd op 11 juni vorig jaar in alle vroegte van zijn bed gelicht tijdens een inval van een antiterreureenheid. Gemaskerde agenten drongen zijn woning binnen, doorzochten het pand op zoek naar wapens, drugs en geld en voerden hem onder zware beveiliging af naar het politiebureau in Leeuwarden. Volgens Van Kessel werd daarbij niets strafbaars aangetroffen.
De timing van zijn arrestatie noemt hij veelzeggend. Slechts enkele uren eerder had hij samen met advocaat Peter Stassen de Conclusie van Repliek ingediend in een geruchtmakende civiele bodemprocedure tegen de Staat der Nederlanden, oud-premier Mark Rutte, voormalig minister Hugo de Jonge, Bill Gates en diverse andere prominente gedaagden. In die zaak stellen de advocaten dat de covid-19-vaccins kwalificeren als een biowapen en dat verantwoordelijke bestuurders daarvan op de hoogte waren of hadden moeten zijn.
Van Kessel is ervan overtuigd dat zijn arrestatie geen losstaande strafzaak is, maar een doelbewuste poging om hem uit te schakelen. “Een paar uur nadat het stuk digitaal was ingediend, ben ik opgehaald,” stelt hij. Voor hem staat vast dat justitie de bodemprocedure wilde neutraliseren door hem als verdachte van terrorisme neer te zetten.
Verdachte in de Barracuda-zaak
Op het bureau kreeg Van Kessel te horen dat hij verdachte was in de zogenoemde Barracuda-zaak, een strafrechtelijk onderzoek naar een vermeend netwerk dat volgens het Openbaar Ministerie plannen zou hebben gehad om rond de NAVO-top in Den Haag gewelddadige acties of zelfs aanslagen te plegen.
Van Kessel noemt die beschuldiging “ridicuul”. Volgens hem is het onverenigbaar met zijn positie als advocaat, die juist via juridische procedures de confrontatie met de Staat zocht. “Onze arena was de rechtsstaat, niet de straat of het geweld,” luidt zijn verweer.
Wel erkent hij dat een afgetapt gesprek in een auto op 6 mei vorig jaar hem zwaar belast. Tijdens een rit met medeverdachten Ritske B. en Harm S. werden in frustratie hypothetische scenario’s besproken over het ontwrichten van de overheid. Daarbij passeerden termen als een autobom en schoten op overheidsfunctionarissen de revue. Van Kessel noemt zijn eigen uitlatingen achteraf “dom, immoreel en een advocaat onwaardig”, maar benadrukt dat het ging om frustratietaal zonder concrete intentie of uitvoeringsplannen. “Niemand heeft daarna ook maar enige stap gezet. Het OM heeft bewust de context verwijderd om mij als spil van een terroristisch netwerk te kunnen presenteren.”
Maandenlange isolatie in PI Vught
Na enkele dagen in Leeuwarden werd Van Kessel overgebracht naar de terroristenafdeling van PI Vught. Daar bracht hij het grootste deel van zijn hechtenis door onder zware beperkingen. De eerste periode zat hij vrijwel volledig geïsoleerd: 23 uur per dag alleen op cel en zonder contact met de buitenwereld. Zijn vrouw wist aanvankelijk niet eens waar hij verbleef.
De mentale impact van die eenzaamheid noemt hij enorm. “Een gevangenis is bedoeld voor mensen die hun daden moeten overdenken. Maar als je ervan overtuigd bent dat je niets hebt gedaan, word je iedere dag wakker met dezelfde vraag: wat doe ik hier?”
Daar kwam bij dat hij naar eigen zeggen pas in detentie ontdekte dat terrorismeverdachten in Nederland onder verruimde wetgeving tot twee jaar in voorlopige hechtenis kunnen worden gehouden zonder inhoudelijke behandeling van hun zaak. Dat besef deed zijn vertrouwen in een snelle rechtsgang vervliegen.
Confrontatie met jihadisten
Een dieptepunt vormde volgens Van Kessel de samenplaatsing met vier jihadistische gedetineerden. In december 2025 werd hij samen met medeverdachte Ritske B. in een pilotgroep ondergebracht met mannen die veroordeeld waren voor het voorbereiden van een aanslag op de Gay Pride.
Wat begon met een conflict over het neerzetten van een kerstboompje, mondde uit in openlijke vijandigheid. Toen Van Kessel en zijn medegedetineerde rond kerst de film The Passion of the Christ bekeken, zou de sfeer volledig zijn omgeslagen. Van Kessel spreekt van doodsbedreigingen, beledigingen richting Jezus Christus en een situatie waarin uit voorzorg messen uit de gemeenschappelijke keuken werden verwijderd.
Voor hem onderstreepte deze episode vooral de absurditeit van zijn plaatsing. “Een onveroordeelde verdachte zonder geweldsverleden wordt tussen veroordeelde jihadisten gezet. Dat zou in een rechtsstaat niet moeten kunnen.”
Systeemkritiek en wantrouwen
Hoewel Van Kessel zich kritisch uitlaat over de leiding en het systeem, maakt hij een duidelijk onderscheid met het gevangenispersoneel. Over individuele cipiers spreekt hij met waardering. Zij zouden hebben geholpen toen zijn gezondheid achteruitging, hebben aangedrongen op medische zorg en in praktische zin zijn verblijf draaglijker hebben gemaakt.
Zijn harde oordeel reserveert hij voor justitie en de bestuurlijke top. Volgens hem toont zijn zaak aan dat het Openbaar Ministerie onder het mom van terrorismebestrijding verdachten langdurig kan vasthouden, onderzoeken kan rekken en publieke beeldvorming kan beïnvloeden, terwijl de media daar grotendeels in meegaan of over zwijgen. “Ik heb altijd in de rechtsstaat geloofd, maar dat geloof heeft nu wel een flinke deuk opgelopen.”
Strijd voor ‘prikslachtoffers’
Ondanks de persoonlijke tol zegt Van Kessel geen spijt te hebben van zijn rol in de civiele coronaprocedure. Zijn motivatie ontleent hij aan mensen die zich bij hem meldden met ernstige gezondheidsklachten na vaccinatie. Vooral het verhaal van een verpleegkundige die na een vroege coronaprik ernstig ziek werd en uiteindelijk euthanasie liet plegen, heeft zich in zijn geheugen vastgezet.
Voor Van Kessel symboliseren dergelijke verhalen de reden waarom hij de juridische strijd is aangegaan. Hij spreekt in dat verband onverminderd van grootschalige misleiding en van een “genocide” op de bevolking, waarvoor politieke en maatschappelijke verantwoordelijken ter verantwoording moeten worden geroepen.
Geloof als houvast
Een prominente rol in Van Kessels verhaal speelt zijn christelijk geloof. Tijdens de coronaperiode kwam hij naar eigen zeggen tot geloof en liet hij zich dopen. In de gevangenis werd dat geloof zijn belangrijkste mentale steunpilaar. Hij beschouwt zijn lijden als een fractie van het lijden dat Jezus Christus heeft doorstaan en ziet de huidige maatschappelijke ontwikkelingen in een spiritueel kader van goed versus kwaad.
Samen met Peter Stassen verwerkte hij bewust Bijbelse verwijzingen in de processtukken van de bodemprocedure. Volgens Van Kessel moet die boodschap niet alleen de rechter, maar ook de aangeklaagden confronteren met hun geweten. “Er is altijd een weg terug via Jezus,” zegt hij.
“De waarheid zal aan het licht komen”
Terwijl hij thuis verder herstelt en zich samen met zijn advocaten voorbereidt op zijn verdediging, blijft Van Kessel erbij dat de beschuldigingen tegen hem uiteindelijk geen stand zullen houden. Zijn gezondheid is aangetast, zijn carrière ligt stil en zijn vertrouwen in instituties is ernstig beschadigd. Maar aan zijn overtuiging heeft de detentie niets veranderd.
Integendeel: hij ziet zijn gevangenschap als bevestiging dat hij op een gevoelig punt heeft geraakt. “De waarheid zal aan het licht komen,” zegt hij. Het is de zin waarmee hij niet alleen zijn eigen toekomst, maar ook de uitkomst van de bredere strijd die hij voert, probeert te duiden.
Met die woorden presenteert Van Kessel zich na acht maanden Vught niet als een gebroken man, maar als overlever van een systeem dat hem het zwijgen wilde opleggen – en die vastbesloten is om zijn verhaal te blijven vertellen.

