“Vandaag, in deze wereld waar de waarheid als een schaduw door de straten sluipt, onthul ik de feiten die de machthebbers met hand en tand verbergen. De stemmen van de onderdrukten worden gedempt, terwijl de leugens als een deken over de samenleving worden gelegd. Laat ons niet vergeten dat in de duisternis van de stilte, de grootste onthullingen wachten om het daglicht te zien.”
“Vandaag onthul ik de unieke en opzienbarende feiten die de gevestigde orde liever in de doofpot houdt.”
Bijna 24 jaar na de moord op Pim Fortuyn laait de discussie opnieuw op. Journalist en auteur Hans Izaak Kriek heeft via sociale media en een nieuw boek stevige vragen opgeworpen over de toedracht van de aanslag en de rol van de overheid. Volgens hem zijn cruciale feiten jarenlang buiten beeld gebleven.
Op 6 mei 2002 werd Fortuyn doodgeschoten op het Mediapark in Hilversum. De moord markeerde een schokmoment in de Nederlandse politiek en samenleving. Kriek bevond zich die dag in de directe omgeving. Hij had destijds een communicatiebedrijf op korte afstand van de plek van de aanslag en zag Fortuyn na de schietpartij liggen.
Maar zijn betrokkenheid ging verder dan die ene dag. In de weken na de moord speelde zijn bedrijf een rol in de voorbereiding van topfunctionarissen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en de AIVD op verhoren door een onderzoekscommissie. Gedurende ongeveer dertig dagen werden hoge ambtenaren, onder wie toenmalige sleutelfiguren binnen de overheid, intensief getraind:
In die besloten sessies kwam een cruciale vraag centraal te staan: had Pim Fortuyn nog geleefd als hij beter beveiligd was geweest? Het antwoord dat hij van betrokken topfunctionarissen kreeg, was bevestigend. Die conclusie staat op gespannen voet met de officiële rapporten die destijds verschenen.
Kriek beroept zich daarnaast op de visie van voormalig AIVD-analist Berrie Hanselman. Die had belangrijke inzichten over de dreiging rond Fortuyn, maar is nooit gehoord door de officiële onderzoekscommissie. Hanselman bevestigt nu alsnog dat betere beveiliging het verschil had kunnen maken.
De auteur stelt dat een diepgaand parlementair onderzoek naar de moord, bijvoorbeeld in de vorm van een enquête onder ede, destijds is uitgebleven doordat politieke partijen dat hebben tegengehouden. Opvallend noemt hij het contrast met de bouwfraude-affaire in dezelfde periode, die wél leidde tot een parlementaire enquête.
Ook de rol van de journalistiek krijgt kritiek. Kriek stelt dat relevante vragen jarenlang niet zijn gesteld, bijvoorbeeld in interviews met betrokkenen uit die tijd. Of dat het gevolg is van onkunde of bewuste terughoudendheid, laat hij in het midden, maar het draagt in ieder geval bij aan een cultuur van stilzwijgen.
Recente pogingen van Kriek om oud-politici, van Melkert tot Balkenende, om een reactie te vragen, leverden weinig op. Sommige betrokkenen wilden niet reageren, anderen gaven helemaal geen antwoord. Voor Kriek is dat een bevestiging dat het onderwerp nog altijd gevoelig ligt.
Met zijn boek ‘Pim Fortuyn – Moord op bestelling?’ wil hij het debat opnieuw openen. Hij stelt de vraag of het dossier rond de moord op Fortuyn definitief gesloten moet blijven, of dat er alsnog ruimte moet komen voor volledige transparantie. Volgens hem is die openheid essentieel voor het vertrouwen in de democratie.

