Sterftecijfers worden vaak beoordeeld zonder rekening te houden met de demografie van de bevolking. Toch bepaalt die demografie in hoge mate wat we mogen verwachten, beter dan vergelijkingen met sterftetrends van een voorgaande periode, laat staan van één jaar dat je als referentie kiest, zonder inachtneming van opwaartse of neergaande trends. Demografische fenomenen, zoals grote geboortegolven, komen decennia later terug in de vorm van sterftegolven, simpelweg omdat die generaties gelijktijdig een hoge leeftijd bereiken. De onderstaande analyse laat zien hoe sterk die relatie is en hoe dat verband na 2020 wordt verbroken.
De grafiek hieronder toont twee lijnen. De paarse lijn geeft de sterfte per 100.000 inwoners weer (dus niet de absolute sterfte), van 1985-2024. De oranje lijn toont het geboortepercentage — maar dan 70 jaar verschoven, van 1915-1962. Vanaf de 70-jarige leeftijd leggen de sterftecijfers veel gewicht in de schaal. Dus in 1990 werden de eerste babyboomers 70.
In de oranje lijn zijn de twee naoorlogse geboortepieken rood gemarkeerd. Deze pieken creëren decennia later een vergrijzingsreservoir: een grote groep ouderen die, dankzij een steeds betere levensverwachting, langer in leven blijft. Een groep die groeit en kwetsbaarder wordt tot het moment dat er een nasty virus langskomt.
Dit is afleidbaar uit de huidige leeftijdsopbouw maar een aansprekende uitleg kan worden gegeven aan de hand van de na-oorlogse babybooms.

Van babyboom tot sterftegolf
We zien het patroon in deze grafiek twee keer terug, de eerste keer in 1993. Vanaf 1990 wordt de grijze buffer bijgevuld, de WOI-geboortegolf is dan in de zeventig. In 1993 zorgt de griep dan ook voor een duidelijke sterftepiek. In het jaar daarop daalt de sterfte weer iets onder het demografische verwachtingsniveau. Dat kan duiden op een ondersterfte na oversterfte: de meest kwetsbaren zijn heengegaan, waardoor het gemiddelde tijdelijk zakt.
Hetzelfde buffermechanisme speelt bij de naoorlogse WOII babyboomers. Hun geboortepiek rond 1946–1948 creëert een nieuw, groter reservoir vanaf 2016. Na het griepvrije jaar 2019 -een boomervriendelijke winter- waarin geen natuurlijke “opschoning” plaatsvond, stond dat reservoir tot de rand gevuld. Het was wachten op de eerstvolgende windhoos die het dry tinder uit de boom zou blazen. En toen kwam corona.
CBS en RIVM missen het grijze reservoir
Nationale statistiekbureaus zoals Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maar ook Eurostat en RIVM berekenen hun sterfteverwachting meestal op basis van de laatste vijf jaar, zonder rekening te houden met het aantal ouderen dat eerdere zachte winters heeft overleefd. Soms kijken ze zelfs louter naar de output: de sterftecijfers. Dat betekent dat een onverwachte sterftepiek, zoals in 2020, grote beroering veroorzaakt, terwijl het grotendeels het gevolg kan zijn van een opgebouwd sterftereservoir. Had je kunnen weten. Het is een booster op afroep voor de eerstvolgende epidemie. Het is ook te berekenen hoe groot dat reservoir ongeveer is, het is echter niet te voorspellen wanneer dat aangesproken wordt en in welke mate. Je zou het in elk geval wel kunnen herkennen als het zo ver is. Zo niet, dan moet je vaagtaal gaan spreken bij het duiden van de cijfers. Zie bijvoorbeeld de CBS weekberichten en de X-posts van-hun woordvoerder(s).
Wie kijkt naar leeftijdsspecifieke sterftekansen ziet dat de bevolking in 2019 relatief “ondersterft” was: veel kwetsbare ouderen onderleden (speelse variant op ‘overleden’) die winter. Wanneer daarna een stevig virus langskomt lijkt de piek extreem maar demografisch kon je hem zien aankomen. Geen reden tot paniek dus.
De vraag is dan niet waarom die piek kwam, maar waarom men erdoor werd verrast.
Een drukmeter voor het grijze reservoir lijkt geen overbodige luxe.
“Event 21”: de breuk met de demografie
De sterfte in 2020 lijkt daarom in eerste instantie uitzonderlijk maar past bij nadere beschouwing nog binnen het historische patroon van demografische resonantie of wel de leeftijdsopbouw. Daarna zou je echter een daling mogen verwachten. Toch gebeurt het tegenovergestelde: 2021, 2022, 2023 en zelfs 2024 laten een blijvend verhoogd sterfteniveau zien, zonder duidelijke demografische aanleiding.
Zelfs als dit nog steeds de babyboomgeneratie betreft, zou het effect na één of twee jaren moeten uitdoven. Bij een ruwe schatting zou hooguit 20%-30% van dat cohort per golf getroffen worden; daarna zou de sterfte moeten halveren. Zeker zonder golf. Dat gebeurt niet.
De plotselinge omslag in 2021 valt buiten elke bekende categorie. Het is geen tijdelijke anomalie maar een structurele verschuiving in het sterfterisico.
Event 21, what was it?
Demografisch is de aanhoudende verhoging niet te verklaren. De bevolkingsopbouw verandert slechts langzaam; het reservoir wordt rond de 80 jaar relatief snel kleiner. Oorlogen, hittegolven, virussen veroorzaken afwijkingen, maar een zo pregnante verhoging die vier jaar aanhoudt, dat is nog nooit vertoond.
De sterftecijfers sinds 2021 zijn niet langer het gevolg van de omvang van de oudere bevolking, maar van iets dat de sterftekans per individu verhoogt. Wat dat precies is, blijft de centrale vraag. De gebruikelijke verklaringen: vergrijzing, virussen, uitgestelde zorg of hitte, voldoen niet.
Bronnen waarin dit inzicht volstrekt ontbreekt
- ONS (2018). How do the post-world-war baby-boom generations compare? – Ageing articles.
- PMC: Latent mortality accumulation / cohort ageing and survival to advanced ages.
- JSTOR: Review of age-period-cohort models in mortality research.
