
De crisis van de moderne wetenschap wordt vaak verklaard uit politieke beïnvloeding, economische druk of collectieve angst. Die verklaringen veronachtzamen hoe die verschillende fenomenen met elkaar communiceren. De diepere oorzaak ligt namelijk in de media‑architectuur zelf: de institutionele reproductie van ‘betekenis’. Waar mediapluraliteit verdwijnt, kunnen feiten niet meer concurreren met beleidsnarratieven. Dit essay betoogt dat de media de massavorming niet weerspiegelen. Ze zijn geen symptoom ervan, zij zijn de primaire aanjager. Zij vormen het psychologische ecosysteem waarin conformiteit wordt geproduceerd en kritiek onschadelijk wordt gemaakt.
Van corona naar cognitieve architectuur
De jaren 2020–2021 tonen op ongekende schaal hoe overheidscommunicatie evolueerde tot gedragssturing. Ruim meer dan een miljard euro, bijna het tienvoudige van eerdere jaren, werd besteed aan publieksbeïnvloeding, psychologisch onderzoek en narratiefonderhoud. De communicatie‑machine mat, modelleerde en moduleerde publieke perceptie.
Wat naar buiten toe leek op “luisteren naar de bevolking” was in werkelijkheid het construeren van draagvlak als beleidsvariabele in twee-wekelijkse cycli. De bevolking vroeg in de loop van 2020 niet meer om beleid; ze weerspiegelde de psychologische voorbereiding erop. Democratisch draagvlak was geen input, maar output van een institutioneel proces dat zichzelf bekrachtigde.
Epistemische afhankelijkheid
Waarnemen is interpreteren. Sinds Bartlett, Kahneman en Slovic weten we dat mensen geen feitelijke snapshots opslaan, maar betekenis construeren binnen mentale schema’s. Die schema’s zijn sociaal gedeeld en voorgestructureerd door bronnen van vertrouwen: de media. Zij voorzien de bevolking van een referentiekader – een gedeelde betekenisruimte waarin feiten herkenbaar en bespreekbaar worden.
Dit geldt net zo sterk voor wetenschappelijke bevindingen als voor nieuwsfeiten of politiek. Ook wetenschap bereikt burgers niet rechtstreeks. Tussen data en publieke kennis ligt altijd een communicatief filter. Wanneer die filterwerking homogeen wordt, verliest waarheid haar concurrerende werking. Afwijkende gegevens worden hergecodeerd tot “toeval”, “anekdote” of “misinformatie”. Zo ontstaat een informatie‑monopolie van bovenaf, met tegengeluid als desinformatie van onderaf.
De mediacratie in beeld
In de communicatiewetenschap is dit mechanisme uitvoerig gedocumenteerd. Iyengar en Kinder toonden decennia geleden al aan dat nieuws vooral bepaalt waarover we denken. Gerbner beschreef hoe langdurige mediablootstelling wereldbeelden cultiveert, Katz & Lazarsfeld zagen hoe interpersoonlijke communicatie vooral mediakaders bevestigt.
De coronajaren maakten deze mechanismen in hun volle werking zichtbaar: een empirische illustratie. “Met één mond praten” werd een openlijk beleden beleidsdoel. Talkshows, kwaliteitsmedia en overheidsvoorlichting klonken synchroon, zelfs met letterlijk herhaalde scripts. Zo werd de publieke sfeer een zelfversterkend ecosysteem waarin politiek, wetenschap en journalistiek hun legitimatie wederzijds leken te produceren.
Massavorming als mediaconstruct
Waar Mattias Desmet massaformatie beschrijft als een sociaal‑psychologisch proces dat ontstaat uit angst en autoriteit, laat een communicatiewetenschappelijke blik zien dat deze emoties pas greep krijgen binnen een uniforme informatie‑omgeving.
De eensluidende, mono‑informatieve media zijn dan ook geen symptoom van massaformatie, zij zijn de vormgevers ervan.
De klassieke theorievorming waarop Desmet voortbouwt – van Le Bon en Canetti tot Arendt – ontstond in een wereld zonder digitale netwerken, zonder influencers, zonder dag‑en‑nacht georkestreerde massacommunicatie in elk huishouden. Wat zij beschreven als collectieve geest, zien wij nu structureel verankerd in technologie en infrastructuur. De moderne massa is niet langer toevallig samengebracht op pleinen, maar permanent verbonden door dezelfde stroom van betekenissen.
Massaformatie is dus geen louter spontane psychologische hypnose meer, maar een door de technologische infrastructuur mogelijk gemaakte directe resonantie – een gelijktijdigheid van emoties, verhalen en morele oriëntatiepunten. De overheid levert richting, legitimiteit en middelen; de media geven vorm, ritme en continuïteit.
Waar pluraliteit verdwijnt, wordt angst niet langer gedeeld maar geconditioneerd. Juist wanneer alle kanalen dezelfde narratieve structuur volgen van ‘dreiging – offer – verlossing’ ontstaat de stille gehoorzaamheid die Desmet typeerde.
Media spiegelen dan geen gemeenschappelijke gemoedstoestand meer, zij voeden die. Geen participant in het proces, maar spelverdeler.
Wat zich aan de oppervlakte toont als een massapsychologisch fenomeen, is in werkelijkheid communicatief geregisseerde uniformiteit.
De paradox van vertrouwen
De mentale inertie van de moderne burger komt voort uit het streven naar cognitieve zuinigheid. Wie dagelijks wordt overspoeld door één samenhangend wereldbeeld, kan zijn wereld comfortabel beheersbaar en duidbaar houden. Zo bezien is vertrouwen eerder een energiebesparend mechanisme dan een deugd.
Het Gell‑Mann‑Amnesia‑effect laat dat haarscherp zien. Mensen herkennen onjuistheden zodra de media over hun eigen vakgebied berichten, maar zodra het onderwerp verschuift, herstelt het vertrouwen zich ogenblikkelijk: dezelfde bron die net nog ongelijk had, wordt weer autoriteit. De behoefte aan stabiliteit is sterker dan het streven naar waarheidsvinding.
Onze hersenen verkiezen daarom graag consistentie boven waarheid. Een enkel incident kan worden weggewuifd; het herzien van een wereldbeeld is desoriënterend. Dissonantie is minder comfortabel dan dwaling. Het is eenvoudiger om een ervaring te herinterpreteren dan het kader waarin die ervaring niet past, te verwerpen. Zo ontstaat niet enkel onverschilligheid, maar actieve zelf‑correctie in dienst van conformiteit.
Cognitieve dissonantie wordt opgelost door: “het zal wel meevallen”, “zij zullen het beter weten”, “de fout was vast uitzonderlijk.” Het is geen lafheid – het is overlevingsstrategie in een communicatief regime dat afwijking zwaar belast. Wie zijn eigen waarneming boven het collectieve verhaal plaatst, riskeert sociale uitstoting.
Zo wordt volgzaamheid rationeel gedrag: kritisch denken is niet verboden, het is ondoelmatig. De haarfijne ironie van de mediacratie is dat mensen zich vrij voelen terwijl zij voortdurend kiezen voor de vorm van zekerheid die het minste denkwerk kost. Of eigenlijk: juist omdat zij kunnen kiezen voor de variant met de minste inspanning.
De verloren pluriformiteit
Pluraliteit van media is geen luxe; het is het zelfcorrigerend vermogen van een samenleving. Zodra de media éénstemmig klinken, verdwijnt met de tegenspraak ook de mogelijkheid tot herziening. Waar geen botsing van perspectieven meer plaatsvindt, verstart kennis tot bevestiging.
We zien dit gebeuren als dezelfde boodschap overal wordt herhaald, hoogstens met een andere intonatie. De schijn van debat maskeert de feitelijke afwezigheid van verschil. Institutioneel omkaderde waarheid varieert nog slechts in toon en wordt niet meer fundamenteel uitgedaagd.
Wetenschap is zo verworden tot het decor van beleid. Haar gegevens krijgen pas betekenis nadat ze in de publieke verhaallijn zijn ingepast – de taal van “maatschappelijke relevantie”, “communiceerbaarheid” en “gezamenlijk belang”. Wat niet in dat register past, verdwijnt uit beeld: de ene keer ongemerkt, de andere keer openlijk gedefameerd.
De ironie is dat dit proces niet als censuur wordt ervaren. Niemand verbiedt immers iets; de harmonie doet het werk. Feiten die niet dissoneren worden geloofd omdat ze niet storen. Waarheidsvinding zou immer maar schuren en zelfs basisconventies kunnen laten wankelen. Het is bewonderenswaardig hoe de infrastructuur van kennis schijnbaar overeind wordt gehouden – zelfs met medewerking van academici zelf – terwijl academische output wordt gekortwiekt en misvormd, afhankelijk van een ingenomen positie of ‘agenda’. Net als in de journalistiek neemt ideologische bevlogenheid het in de academies over, ten koste van waarheidsvinding.
Daarom is de vraag eigenlijk niet eens hoe we de media moeten verbeteren. Dat kan niet. Wat we wel kunnen doen komt overeen met de oproep van Mattias Desmet: Blijven spreken – en dan vertaald naar de (technologische) actualiteit.
Het doorbreken van het mediamonopolie
Hervorming van binnenuit is futiel. De financieringsstructuur, wetgeving en sociale beloningsmechanismen van de journalistiek zijn geïntegreerd in dezelfde orde die kritisch toezicht vergt. Elke systemisch-interne remedie is recursief.
Maar buiten die kring bestaat wél handelingsruimte:
- Ondersteun alternatieve kanalen.
Podcasts, blogs en decentrale journals vormen de hedendaagse republiek van ideeën.
Deel, citeer, reageer, doneer; betekenis groeit met verkeer. Wees niet bang om je naam te koppelen, treed uit de comfortabele anonimiteit. - Verhoog de informatiedruk.
Niet één meesterwerk overtuigt, maar frequente, overlappende inzichten die het narratief doorprikken.
Herhaling maakt zichtbaar wat stilte verbergt. - Populariseer wetenschap.
Vertaling is geen trivialisering maar democratisering.
Kennis die niet uitlekt bestaat maatschappelijk niet. - Zoek de arena en herhaal met variatie.
Dien artikelen in, spreek mee, reageer.
Communicatiewetenschap leert dat herhaling met nuance de sterkste vector van overtuiging is. - Verbreding van toon en taal.
Spreek in meerdere registers: rationeel, persoonlijk, moreel.
Ethos, logos en pathos zijn geen alternatieven maar dimensies.
De taak van de onafhankelijke denker is niet enkel blijven spreken, maar ook blijven zenden, blijven delen – in veel stemmen, veel vormen, op veel plaatsen. Tegenmacht wordt niet geboren uit consensus, maar uit meervoudige weerklank.
Conclusie: de onzichtbare strijd
De ware Battle for Science wordt niet gestreden in laboratoria of op universiteiten, maar op het scherm, door luidsprekers, op papier. Deze voorzien de samenleving -en dus de politiek- van betekenisvolle, semantische zuurstof. Zolang de distributie van betekenis centraal wordt aangestuurd, blijft wetenschap alleen functioneel als decoratie van beleid.
De emancipatie van kennis vraagt niet om nóg meer data, nog meer van dezelfde feiten. Wat er nodig is zijn meer diverse kanalen, meer dissonant geluid. De traditionele media zijn in Nederland, op een enkele -als extreemrechts afgeschilderde- uitzondering na, in feite één kanaal geworden. Media-organisaties zijn doorgegroeid van ‘luizen in de pels’, van kritische intellectuele burgers, naar het overheidsdepartement Communicatie en Voorlichting, maar dan wel met de quasi-onafhankelijke positie die NGO’s vaak innemen.
Het doorbreken van de mediacratie is daarom niet louter een kwestie van ‘vrijheid van meningsuiting’, noch van de kwaliteit van data of feiten.
Het doorbreken van de mediacratie is de noodzakelijke voorwaarde voor intellectuele overleving – en daarmee voor het voortbestaan van het mens‑zijn zoals wij dat nu waarderen.
Verantwoording
De empirische gegevens in dit essay zijn gebaseerd op het eerder verschenen tweeluik De Mediacratie I en II (2026) waarin de mediagerelateerde uitgaven en communicatiestructuren van de Nederlandse overheid tijdens de coronaperiode zijn geanalyseerd. Alle bedragen zijn ontleend aan openbare rijksbronnen, Woo‑publicaties en rapporten van de Rekenkamer.
