
In het voorgaande artikel werd uiteengezet dat moderne instituties – wetenschap, beleid en traditionele media – zodanig met elkaar verweven zijn dat zij een stabiel interpretatiekader vormen dat zichzelf beschermt tegen destabiliserende informatie. Nieuwe feiten die een bestaand beleidsparadigma ondermijnen, worden niet verwelkomd als voortschrijdend inzicht, maar ervaren als een bedreiging voor bestuurlijke continuïteit en institutionele reputatie.
Dit tweede artikel bouwt daarop voort en zoomt in. Het gaat hier niet om de instituties zelf, maar om de enige route waarlangs wetenschap überhaupt maatschappelijke betekenis kan krijgen: het medialandschap. Media zijn de producenten van de interpretatiekaders waarbinnen feiten betekenis krijgen. Als een pluriform medialandschap niet kan zorgen voor diversiteit in interpretatiekaders, zullen belangrijke -en dus meestal controversiële- feiten worden geneutraliseerd, hoe robuust het bewijs ook is.
Waarneming is interpretatie, geen registratie
De cognitieve psychologie laat al sinds Bartletts Remembering (1932) zien dat mensen de werkelijkheid niet registreren zoals een camera dat doet, laat staan: de registratie ongeschonden internaliseren. Waarnemen, begrijpen en accepteren is een interpretatief proces, gestuurd door mentale schema’s die bepalen wat relevant is, wat uitzonderlijk is en wat betekenisvol is. Kahneman beschreef dit als de automatische werking van System 1 in Thinking, Fast and Slow (2011). De priming met die mentale schema’s bepaalt welke informatie zal hechten en welke niet.
Deze schema’s zijn geen individuele constructies. Ze zijn sociaal gedeeld en worden gevormd door culturele narratieven en autoriteit, primair gepresenteerd door -dit is cruciaal- de media die als betrouwbaar worden beschouwd. Wetenschap bereikt burgers nooit rechtstreeks, dat gaat altijd in een vooraf bestaand interpretatiekader.
(Opm: Ik gebruik hier niet het woord ‘frame’ vanwege de negatieve connotatie en omdat dat vaak een doelbewuste agenda impliceert. Terwijl die ‘agenda’ logische resultante is van de context, de ‘priming’ van degenen die van framing worden beschuldigd.)
Traditionele media: de designers van het gedeelde interpretatiekader
Communicatiewetenschap toont al decennia dat traditionele media niet alleen informatie leveren, maar vooral de context waarin informatie betekenis krijgt.
Iyengar en Kinder lieten in News That Matters (1987) zien dat televisie niet zozeer overtuigt, maar selecteert: ze bepaalt waar mensen überhaupt aan denken. Gerbner’s Cultivation Analysis (1976–1995) toonde dat langdurige mediaconsumptie wereldbeelden vormt die zelfs persoonlijke ervaring kunnen overschrijven. En Katz & Lazarsfelds Personal Influence (1955) liet zien de interpersoonlijke communicatie vooral een versterkingsmechanisme is van mediageïnformeerde interpretaties. De minder geïnformeerde personen vragen bevestiging van hun lokale opinion leaders: degenen die meer kwaliteitskranten lezen en alle talkshows kijken.
Het gedeelde interpretatiemodel — wat “normaal”, “waarschijnlijk”, “representatief” of “zorgwekkend” is — wordt dus in hoge mate bepaald door traditionele kwaliteitsmedia. Niet omdat burgers naïef zijn, maar omdat zij epistemisch afhankelijk zijn van bronnen die zij als betrouwbaar beschouwen.
Het narratief wint het van de zintuigen
Waarom zijn de media dan doorslaggevend, ondanks onze eigen visie die gebaseerd is op eigen ervaring? Persoonlijke ervaring lijkt inderdaad een krachtig tegenwicht tegen mediakaders, maar dat is een misvatting. Onderzoek naar risicoperceptie, zoals Slovic’s Perception of Risk (1987), laat zien dat afwijkende ervaringen zelden leiden tot een herziening van het dominante narratief. In plaats daarvan wordt de ervaring zelf hergecodeerd: als toeval, als pech, als anekdotisch, als statistisch irrelevant.
Dit is een goede plek voor een korte anekdote: ik was erbij toen, op een gezellige reünie, twee lieve ex-collega’s van elkaar ontdekten dat zij beiden vaccinatieschade hadden opgelopen van de Covid-basisserie. Beiden verzekerden elkaar om het hardst hoe uiterst zeldzaam bijwerkingen waren. Er was dus geen enkele reden voor spijt. Ze hadden ‘gewoon pech gehad.’ Ik durfde niet te vragen of dat ze zou weerhouden om de booster te nemen. Het was per slot een feestelijk samenzijn.
Dit is geen irrationeel gedrag. Het is cognitieve efficiëntie: het is eenvoudiger om een enkele ervaring te herinterpreteren of te negeren dan om een volledig wereldbeeld te herzien.
Het Gell‑Mann Amnesia‑effect illustreert dit mechanisme scherp. Mensen zien dat media fouten maken op terreinen waar zij zelf expertise hebben, maar blijven dezelfde media -zelfs na het omslaan van de pagina- vertrouwen op terreinen waar zij géén expertise of persoonlijke ervaring hebben. De feilbaarheid van de bron verandert het interpretatiekader niet; het kader blijft intact, en de waarneming wordt aangepast of in een andere laatje gelegd.
Cognitieve dissonantie versterkt de macht van mediakaders
Wanneer persoonlijke ervaring of wetenschappelijk bewijs botst met het mediagestuurde interpretatiemodel, ontstaat cognitieve dissonantie (Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance, 1957). Burgers kunnen dan:
- het interpretatiekader aanpassen (psychologisch zwaar), of
- de waarneming herinterpreteren (psychologisch licht).
De meeste mensen kiezen voor de tweede optie. Er worden geen ankers losgeslagen.
Traditionele media bieden de kant‑en‑klare narratieven die deze dissonantie reduceren. Ze presenteren afwijkingen als uitzonderingen, als statistisch onbelangrijk, of als misverstanden* die door experts kunnen worden verklaard. In sociale netwerken worden deze narratieven vervolgens bevestigd door mensen die dezelfde media consumeren. Zo ontstaat een zelfversterkend systeem waarin afwijkende ervaringen worden geneutraliseerd voordat ze het gedeelde wereldbeeld kunnen aantasten.
*Of, mits er veel op het spel staat, misinformatie of complottheorie
Wetenschap bereikt burgers via pluriforme media
Wetenschappers overschatten de kracht van data omdat zij uitgaan van een model waarin burgers informatie ontvangen en die vervolgens objectief verwerken. Maar in werkelijkheid wordt informatie geïnterpreteerd binnen mediagevormde kaders, wordt persoonlijke ervaring hergecodeerd om dissonantie te vermijden, en worden sociale normen belangrijker gevonden dan empirische anomalieën. Bovendien zal wetenschappelijke informatie vaak niet door de filters van de media heen komen als ‘belangwekkend’, maatschappelijk relevant’ of zelfs maar ‘nieuwswaardig’, waarbij we voorbijgaan aan de diverse subjectieve voorkeuren zoals die in een pluriform medialandschap verwacht mogen worden. Juist die voorzien het debat van brandstof door verschillende contexten te tonen.
Dat betekent hoe dan ook dat wetenschap geen directe toegang heeft tot de publieke opinie. Om van Academië in Democratië te komen moet je langs de media-douane. En daarom is media-pluriformiteit geen luxe, maar een noodzakelijke voorwaarde voor epistemische vooruitgang.
In een homogeen of institutioneel ingebed medialandschap worden feiten niet getoetst, maar geabsorbeerd in één dominant interpretatiemodel. In een pluriform landschap daarentegen kunnen feiten botsen, resoneren, herframed worden en uiteindelijk leiden tot verschuivingen in het gedeelde begrip van de werkelijkheid.
Conclusie
Wetenschap communiceert nooit rechtstreeks met de samenleving. Een pluriform medialandschap is daarom een conditio sine qua non voor elke vorm van maatschappelijke vooruitgang op basis van onderzoek. Alleen wanneer verschillende redactionele tradities, perspectieven en frames naast elkaar kunnen bestaan, ontstaat er ruimte voor wetenschappelijke inzichten om werkelijk te concurreren met bestaande narratieven. Waar die pluriformiteit ontbreekt, wordt wetenschap gefilterd en gereduceerd tot technocratische input voor bestaande paradigma’s. Waar pluriformiteit wél bestaat, kan wetenschap een bron van maatschappelijke vernieuwing zijn.
Wetenschap floreert niet door de kracht van de feiten, maar door de diversiteit van de kanalen die die feiten betekenis geven. Zonder die diversiteit blijven feiten waar, maar machteloos.
Verwante literatuur
- Bartlett, F. (1932). Remembering: A Study in Experimental and Social Psychology.
- Festinger, L. (1957). A Theory of Cognitive Dissonance.
- Gerbner, G. (1976–1995). Cultivation Analysis.
- Iyengar, S., & Kinder, D. (1987). News That Matters.
- Kahneman, D. (2011). Thinking, Fast and Slow.
- Katz, E., & Lazarsfeld, P. (1955). Personal Influence.
- Slovic, P. (1987). Perception of Risk.
