
Een station geteisterd door vernielzucht
Een gevoel van straffeloosheid
Wat opvalt, is de schijnbare onaantastbaarheid van de daders – als het inderdaad om brandstichting gaat. Eerder werd aangenomen dat de vernieling van de fietsenstalling het werk was van ‘jongeren’, een eufemisme dat vaker klinkt dan daadwerkelijk tot daden leidt. Gesprekken, waarschuwingen, pedagogische handvatten – het sorteert nauwelijks effect. De daders voelen geen druk, geen sancties, geen grenzen. Waarom zouden ze? De gevolgen blijven (te) vaak uit.
Veiligheid faalt op alle fronten
De reacties vanuit de Bredase politiek liegen er ook niet om. Fractievoorzitter van LPF Breda, Iwan Dienjes, laat in een reactie aan De Dagelijkse Standaard weten: “Hoeveel “incidenten” moeten er nog plaatsvinden voordat het college in actie komt? De autobrand bij station Breda-Prinsenbeek, of het nu opzet is of niet, laat opnieuw zien dat de veiligheid op deze plek tekortschiet. Het stadsbestuur kan de risico’s niet langer bagatelliseren – het is tijd om verantwoordelijkheid te nemen en maatregelen te treffen.”
De vraag die niemand hardop durft te stellen
Hoe lang nog accepteren we dat onze publieke ruimte wordt verwoest? Hoe lang nog kijken we weg en duwen we het onder het tapijt met woorden als ‘overlast’ of ‘jeugdcultuur’? Wat in Breda-Prinsenbeek gebeurt, is geen incident meer. Het is een signaal. Een waarschuwing. Het is tijd dat die serieus wordt genomen – niet met nog een enquête of een rondetafelgesprek, maar met actie.
.

