Een groep van 23 mensen zonder verblijfsstatus probeert via de rechter af te dwingen dat zij opnieuw onderdak krijgen en toegang behouden tot medische en sociale voorzieningen. Zij verzetten zich tegen het beëindigen van de zogenoemde bed-bad-broodregeling in Rotterdam. De Staat is het daar niet mee eens en stelt dat de betrokkenen zelf verantwoordelijk zijn voor hun situatie omdat zij niet meewerken aan terugkeer naar hun land van herkomst.
De groep, vaak aangeduid als ‘ongedocumenteerden’, stond ook in december 2024 al in groten getale in de Rotterdamse rechtbank. Toen oordeelde de rechter dat zij tijdelijk moesten worden opgevangen, omdat het onwenselijk werd geacht dat deze lichamelijk en geestelijk kwetsbare mensen op straat zouden belanden. Die voorziening was echter van tijdelijke aard. Nu ligt opnieuw de vraag voor of opvang voor deze groep een wettelijke verplichting van de overheid is, of slechts een gunst.

Standpunt van de Staat
Namens de Staat voerde landsadvocaat Jules de Kort aan dat er wel degelijk opvang beschikbaar is, mits de betrokkenen bereid zijn mee te werken aan vertrek uit Nederland. Volgens hem kunnen zij terecht in het aanmeldcentrum in Ter Apel.
“Als iemand meewerkt aan terugkeer, dan is alles mogelijk. Dan is er tijdelijke opvang in Ter Apel. Werk je niet mee, dan is dat je eigen persoonlijke keuze,” zei De Kort in de rechtszaal. Volgens het ministerie zijn er voldoende tijdelijke bedden beschikbaar en is er sprake van voldoende doorstroming.
De Staat stelt bovendien dat er per persoon individuele afwegingen zijn gemaakt en dat er juridisch geen zorgplicht bestaat in deze gevallen. De Kort verwees daarbij naar Europese regelgeving en verdragen, die volgens hem het huidige beleid ondersteunen.
Advocaten betwisten capaciteit en zorg
Advocaat Pim Fischer, die de 23 ongedocumenteerden bijstaat, weerspreekt dat Ter Apel een reëel alternatief is. Volgens hem is het aanmeldcentrum overvol en ontbreekt adequate medische zorg. Ook wees hij erop dat de wachttijd voor specialistische hulp kan oplopen tot veertien weken.
In de rechtszaal sprak Fischer in emotionele bewoordingen over de gevolgen van het stopzetten van de opvang. “Een leven op straat kan de dood betekenen,” stelde hij. Volgens hem dreigen de betrokkenen tussen wal en schip te vallen binnen een complex stelsel van regels.

Steunpunt schetst situatie van groep
Ook Maarten Goezinnen van het Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt bevestigde dat de groep kwetsbaar is. Sinds de uitspraak van december 2024 verblijven zij volgens hem in opvanglocaties in Katendrecht en Capelle aan den IJssel.
Hij beschreef het als een sterk vergrijsde groep, veelal zestigplussers, van wie velen kampen met psychische problemen of verslavingen. Volgens Goezinnen zijn sommigen nauwelijks zelfredzaam. Hij stelde dat het onaanvaardbaar is dat deze verhalen nu opnieuw aan de orde komen omdat er volgens hem geen structurele oplossing vanuit het ministerie wordt geboden.

Terugkeer vaak ingewikkeld
Volgens Goezinnen willen veel van de betrokkenen wel degelijk terug naar hun land van herkomst, maar loopt dat in de praktijk vast. Sommige landen zouden onvoldoende meewerken, terwijl in andere gevallen cruciale documenten ontbreken, wat tot jarenlange wachttijden kan leiden.
Hij benadrukte dat het onwenselijk is om deze mensen op straat te laten belanden in een stad als Rotterdam, waar de druk op daklozenopvang al groot is.
Rechter moet knoop doorhakken
In de rechtszaal werd duidelijk dat beide partijen zich beroepen op Europese verdragen en eerdere rechterlijke uitspraken. De voorzitter van de rechtbank merkte daarbij op dat de standpunten lijnrecht tegenover elkaar staan en sprak van het bestaan van “twee werelden”.
Het is nu aan de bestuursrechter om te bepalen waar de verantwoordelijkheid ligt: bij de overheid of bij de betrokken vreemdelingen zelf. De rechtbank verwacht binnen zes weken uitspraak te doen.
Die uitspraak kan verstrekkende gevolgen hebben. Niet alleen Rotterdam, maar ook andere steden hebben hun opvangvoorzieningen voor deze groep beëindigd en vinden dat het Rijk daarvoor verantwoordelijk is. De beslissing van de Rotterdamse rechter moet duidelijk maken hoe deze situatie juridisch moet worden beoordeeld en kan richtinggevend zijn voor beleid in meerdere gemeenten.
