
De jaarlijkse herdenking van het Amerikaanse bombardement op Nijmegen op 22 februari 1944 is zaterdagmiddag verstoord door een groep Palestina-demonstranten. Op het moment dat de Amerikaanse ambassadeur in Nederland, Joseph Popolo, zijn toespraak wilde beginnen, klonk er luid protest vanaf het publiek. De actie leidde tot boegeroep van aanwezigen en ingrijpen van de politie.
De herdenking vond plaats bij het monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van het bombardement, waarbij bijna achthonderd mensen om het leven kwamen. Terwijl de ambassadeur het woord wilde nemen, ontrolden enkele demonstranten spandoeken en riepen leuzen waarin zij spraken over genocide. Volgens aanwezigen ging het om een groep van ongeveer tien personen.
Politie grijpt in bij herdenking in Nijmegen
Agenten traden direct op en voerden de demonstranten af. Daarbij kwamen ook twee politieofficieren in actie die zich tussen de genodigden op de tribune bevonden en hun collega’s ondersteunden. Het publiek reageerde afkeurend op de actie, met luid boegeroep richting de demonstranten.
Nadat de orde was hersteld, kon ambassadeur Popolo zijn toespraak vervolgen. Hij ging niet inhoudelijk in op de verstoring, maar benadrukte in zijn rede de historische band tussen Nederland en de Verenigde Staten. Daarbij wees hij op de Amerikaanse rol bij de bevrijding en de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog.
Burgemeester Bruls fel over verstoring
Ook burgemeester Hubert Bruls reageerde kritisch op de verstoring van de herdenking. Volgens hem hoort een moment van herdenking niet te worden gebruikt voor politieke acties. “Wie een herdenking verstoort, stelt zijn eigen verdriet boven dat van anderen,” zei hij na afloop. Hij noemde de actie ongepast en benadrukte het belang van respect tijdens een plechtigheid die in het teken staat van slachtoffers.
De demonstranten verschenen volgens aanwezigen pas na afloop van een stille tocht op de locatie van de herdenking.
Een van de grootste rampen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog
Het bombardement op Nijmegen op 22 februari 1944 geldt als een van de grootste rampen op Nederlands grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. Amerikaanse bommenwerpers voerden die dag aanvallen uit in het kader van operatie ‘Big Week’, gericht op Duitse fabrieken en militaire installaties. De bommen die Nijmegen troffen, kwamen uit Amerikaanse toestellen.
Lange tijd werd aangenomen dat de stad per vergissing werd aangezien voor een Duits doelwit. Later historisch onderzoek wees uit dat een deel van de bommen vermoedelijk op het station van Nijmegen was gericht tijdens de terugvlucht, maar dat navigatiefouten en omstandigheden in de lucht tot een verwoestende misrekening leidden.
Bij het bombardement kwamen bijna achthonderd mensen om het leven. Onder de slachtoffers bevonden zich 24 leerlingen en acht zusters van een Montessori-kleuterschool. Grote delen van de binnenstad werden verwoest.
Herdenken met oog voor verleden en heden
Voorafgaand aan de herdenking vond een speciale oecumenische dienst plaats in de Molenstraatkerk. Tijdens de ceremonie werd stilgestaan bij de blijvende impact van het bombardement op de stad. Op de plek van de getroffen Montessori-school staat sinds 2000 het monument De Schommel, waar ook dit jaar weer werd herdacht.
Burgemeester Bruls riep tijdens zijn toespraak op om oorlogsverhalen te blijven vertellen. Volgens hem heeft het bombardement Nijmegen blijvend veranderd, zowel psychisch als sociaal en fysiek. “Zwijgen is geen optie,” benadrukte hij. “We leven in één wereld waarin we elkaar moeten beschermen.”
Na afloop van de plechtigheid keerde de rust terug in de stad, maar de verstoring zorgde voor discussie over de grenzen van demonstratierecht tijdens herdenkingen van historische tragedies.
