
Er zijn van die conflicten waarin elke mening te laat komt, te oppervlakkig is, of te makkelijk wordt aangezien voor partijdigheid. Het Israëlisch-Palestijnse conflict is er zo een. En sinds 7 oktober 2023 — toen Hamas op gruwelijke wijze meer dan 1.200 Israëlische burgers afslachtte en honderden gijzelaars ontvoerde — is dat gevoel alleen maar intenser geworden. Het morele kompas hapert. De emoties lopen op. De polarisatie verhardt. En de ruimte voor nuance verdampt.
Wat moet je dan nog zeggen?
Ik heb me lang afzijdig gehouden van het publieke debat over deze oorlog. Niet omdat ik geen mening heb. Integendeel. Maar omdat ik vrees dat mijn woorden niets bijdragen aan een oplossing. En ook omdat ik diep besef: dit is een duivels dilemma. Eén waar geen heldere, rechtvaardige uitweg uit lijkt te bestaan zonder grote offers, zonder slachtoffers, zonder tragedies aan beide zijden.
Het dilemma is dit: als Israël niet ingrijpt, is haar bevolking nergens veilig. Als Israël wel ingrijpt, wordt onvermijdelijk ook onschuldig bloed vergoten — wat de haat opnieuw voedt, de cirkel van geweld versterkt, en de internationale steun ondermijnt. Het is alsof Israël moet kiezen tussen een onmogelijke militaire opdracht en een onaanvaardbare morele overgave.
En dan zijn er de stemmen in het Westen — opiniemakers, politici, activisten — die van een afstand vinden dat Israël “te ver” gaat, dat het “disproportioneel” is, dat het “de rode lijn” overschrijdt. Maar ik vraag me af: wie bepaalt die proporties, in een strijd waarin je vijand schuilt in ziekenhuizen, tunnels onder scholen graaft, en bewust kinderen opoffert voor het beeld op CNN?
Anderzijds, ook de verdedigers van Israël moeten erkennen dat legitimiteit niet eindeloos is. Dat het doel — het vernietigen van Hamas — op zichzelf niet voldoende is om het gebruik van elk middel te rechtvaardigen. De kracht van Israël lag altijd in haar morele superioriteit tegenover haar vijanden. Als die verdwijnt, blijft er dan alleen nog macht over?
Wat mij persoonlijk diep heeft geraakt, is de Israëlische serie Fauda, waarin de werkelijkheid van het conflict rauw en tegelijk menselijk wordt getoond. Israëlische veiligheidsagenten die vloeiend Arabisch spreken, opereren onder gevaarlijke omstandigheden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever. Maar wat de serie zo bijzonder maakt, is dat ook de Palestijnse kant in beeld komt. We leren hun gezichten kennen, hun wrok, hun verliezen, hun familiegeschiedenissen. Het helpt — al is het maar een beetje — om je ook te verplaatsen in hun wereld. Een wereld waarin velen generaties lang hebben geleefd op dezelfde grond, met dezelfde gewoonten, in dezelfde huizen. En dan kom je bij de pijnlijke vraag: wiens land was het eigenlijk?
Ik ken persoonlijk een Palestijn, Yasser, die in Uruguay woont. Hij vertelde me hoe zijn familie op de Westelijke Jordaanoever leeft onder permanente Israëlische controle, terwijl zij al generaties daar geworteld zijn. Zes, zeven, acht generaties. En dan realiseer je je: dit conflict gaat niet over jaren, maar over eeuwen. Over bloed, bodem, identiteit. En misschien zelfs over gedeelde genen.
Daarbij komt nog iets anders: niet alle Joden zijn zionisten. Orthodoxe Joden, bijvoorbeeld, stellen zich vaak op het standpunt dat de stichting van de staat Israël in strijd is met de Thora. Volgens hen leefden Joden en Arabieren eeuwenlang vreedzaam naast elkaar — zonder dat er een politieke staat nodig was. Hun boodschap: vrede is niet onmogelijk. Maar misschien politiek wel.
En zo blijft het een duivels dilemma. Want je kunt tegelijkertijd Israël verdedigen en het Palestijnse lijden erkennen. Je kunt de vernietiging van Hamas noodzakelijk vinden, en toch twijfels hebben over het morele pad dat wordt bewandeld. Je kunt Israël bewonderen, en toch huiveren van wat oorlog aanricht. En je kunt beseffen dat woorden tekortschieten — en ze toch blijven zoeken.
Want wat op het spel staat, is niet alleen veiligheid, maar ook waardigheid. Niet alleen overleven, maar ook menselijkheid. Niet alleen land, maar ook ziel.
.

