“In een wereld waar de waarheid verdraaid wordt door politieke belangen, wordt het Nederlandse platteland heringericht op basis van onvolledige data. Boeren en burgers worden slachtoffer van een systeem dat hen ontnemt wat ooit hun thuis was, terwijl de natuur onder druk staat door valse aannames. De toekomst is niet langer een keuze, maar een opgelegde realiteit, waarin de echo van verloren landschappen weerklinkt in de stilte van de verwoesting.”
Op basis van onvolledige, verkeerd geïnterpreteerde en politiek gekleurde data wordt het Nederlandse platteland heringericht, met grote gevolgen voor boeren, burgers, landschap en economie.
Nederland staat aan de vooravond van een ingrijpende herinrichting van het platteland. Wat gepresenteerd wordt als onvermijdelijk natuur- en waterbeleid “dat van Brussel moet”, blijkt bij nadere beschouwing vooral te zijn gebaseerd op nationale aannames, politieke keuzes en selectief gebruikte data. Dat is de centrale boodschap van het gesprek dat Marianne Zwagerman voerde met onderzoeksjournalist Geesje Rotgers en voormalig topambtenaar van het ministerie van Landbouw Jan Venneman.
Een beleid dat nooit is gestopt
De zogenoemde “grote verbouwing van het platteland” werd al vastgelegd onder het kabinet Rutte-Kaag, met het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) als kern. Hoewel dit programma na de verkiezingen ogenschijnlijk werd gepauzeerd en de BBB toetrad tot het kabinet, stellen de gesprekspartners dat het beleid in werkelijkheid nooit is verdwenen. Het keert nu terug in nieuwe vormen en andere benamingen, zoals provinciale uitwerkingen en de recente Nota Ruimte.
Met name provincies lopen hierop vooruit. In Utrecht en Brabant zijn boeren inmiddels opnieuw met trekkers onderweg naar provinciehuizen, nadat zij brieven ontvingen waarin hun bedrijf feitelijk geen toekomst meer wordt geboden. De rechtvaardiging is telkens dezelfde: het zou slecht gaan met de natuur, de waterkwaliteit is onvoldoende en de stikstofdruk te hoog. Maar klopt dat beeld wel?
Wat Nederland aan Brussel rapporteert
Onderzoeksjournalist Geesje Rotgers dook in de officiële natuurrapportages die Nederland periodiek aan de Europese Commissie moet aanleveren. Elke zes jaar moet per Natura 2000-gebied, per soort en per habitattype worden gerapporteerd hoe het ecologisch gaat, of er sprake is van verbetering of verslechtering en wat daarvan de oorzaken zijn.
Opmerkelijk genoeg zijn deze gebiedsrapportages in Nederland zelf niet openbaar. Wie ze wil inzien, wordt doorverwezen naar Brussel. Rotgers vroeg ze daar op en kreeg toegang tot de volledige set gegevens.
Wat zij aantrof, staat haaks op het beeld dat in Nederland wordt geschetst. In veel gebieden, waaronder delen van de provincie Utrecht, blijkt uit de Brusselse data dat natuur stabiel is of zelfs is verbeterd. Bovendien wordt stikstof in die rapportages lang niet altijd als belangrijkste drukfactor genoemd. Andere oorzaken, zoals rivierkreeften, vogelpopulaties, hydrologie of natuurlijke bodemprocessen, spelen vaak een grotere rol.
De Nederlandse werkelijkheid: modellen en aannames
Toch baseren provincies hun beleid niet op deze Europese rapportages, maar op zogenoemde natuurdoelanalyses (NDA’s) die in 2023 zijn opgesteld. Die analyses vormen de grondslag voor ingrijpende maatregelen, waaronder het opkopen of beëindigen van boerenbedrijven.
Volgens Rotgers en Venneman mankeren deze NDA’s op cruciale punten. De Europese Habitatrichtlijn stelt dat natuur niet mag verslechteren ten opzichte van het referentiejaar 2004. Maar in veel analyses wordt erkend dat er nauwelijks betrouwbare gegevens uit dat jaar beschikbaar zijn. Verslechtering wordt niet aangetoond, maar verondersteld.
De redenering is meestal cirkelvormig: de berekende stikstofdepositie ligt boven de kritische depositiewaarde, dus moet de natuur slecht zijn. Een aantoonbaar causaal verband tussen die modelberekeningen en de feitelijke ecologische toestand in het veld ontbreekt. Zelfs de Ecologische Autoriteit heeft erkend dat essentiële informatie ontbreekt, maar acht de analyses toch “voldoende” om beleid op te baseren.
Waterkwaliteit en politieke normen
Een vergelijkbaar patroon is te zien bij het waterbeleid. Nederland kent 21 waterschappen, die ieder eigen normen mogen hanteren voor oppervlaktewater. Die normen blijken sterk uiteen te lopen. Sommige waterschappen, zoals Amstel, Gooi en Vecht, hanteren aanzienlijk strengere eisen dan aangrenzende waterschappen, ook wanneer de natuurlijke omstandigheden identiek zijn.
Dat leidt tot situaties waarin water aan de ene kant van een provinciegrens als “slecht” wordt aangemerkt, terwijl hetzelfde water enkele kilometers verderop “goed” scoort. Deze verschillen zijn vaak het gevolg van politieke keuzes, niet van Europese verplichtingen.
Daar komt bij dat natuurlijke bronnen van stikstof en fosfor – zoals kwel, bodemprocessen en vogelpoep – regelmatig worden toegerekend aan de landbouw. Dat vergroot op papier de bijdrage van boeren aan watervervuiling, terwijl het feitelijke aandeel kleiner is. Het Planbureau voor de Leefomgeving bevestigde zelfs dat dergelijke toerekeningen plaatsvinden, maar vermeldt dit niet of nauwelijks in publieke rapportages.
De provincie Utrecht als testcase
In Utrecht worden deze cijfers nu gebruikt om vergaande maatregelen door te voeren. Boeren krijgen brieven waarin staat dat hun bedrijf moet verdwijnen om natuur- en waterdoelen te halen. Rotgers legde de discrepantie tussen de Brusselse data en de provinciale plannen schriftelijk voor aan de provincie. Hoewel zij een inhoudelijke reactie kreeg, bleef de kern overeind: Utrecht blijft vasthouden aan eigen normen en eigen cijfers, ook wanneer die afwijken van wat aan Brussel wordt gerapporteerd.
Het gevolg is dat beleid wordt gepresenteerd als “onvermijdelijk” en “Europees verplicht”, terwijl het Europese beeld juist genuanceerder en vaak minder negatief is.
Wat dit betekent voor burgers
Volgens Venneman raakt deze ontwikkeling niet alleen boeren, maar iedere Nederlander. Het agrarisch cultuurlandschap maakt plaats voor vernatting, bos, natuurcorridors en uiteindelijk voor windmolens, zonneparken, datacenters en woningbouw. Toegankelijke gebieden veranderen in afgesloten natuur met verboden toegang.
Economisch staat er eveneens veel op het spel. Land- en tuinbouw vormen samen een substantieel deel van de Nederlandse maakindustrie en zijn cruciaal voor voedselzekerheid. Die pijler wordt afgebroken zonder dat een realistisch alternatief wordt geboden.
Een fundamentele vraag
De kern van de kritiek is niet dat natuurbeleid per definitie onwenselijk is, maar dat het huidige beleid wordt gebouwd op een frame dat niet strookt met de beschikbare feiten. De juiste gegevens bestaan, worden ook verzameld en zelfs aan Brussel gerapporteerd, maar spelen nauwelijks een rol in de besluitvorming op provinciaal en nationaal niveau.
De oproep is daarom helder: wees eerlijk over wat men werkelijk wil met het platteland, maak transparant gebruik van data en stop met het afschuiven van nationale keuzes op “Brussel”. Zonder die eerlijkheid dreigt een grootschalige herinrichting van Nederland op basis van aannames, modellen en politieke voorkeuren – met onomkeerbare gevolgen voor boeren, burgers en landschap.

