
Inleiding
Onlangs publiceerde The Carbon Economist een op het eerste gezicht onschuldig artikel met de titel ‘Outlook 2026: Britse elektriciteit – vandaag en morgen’. The Carbon Economist is een uitgave die voortkomt uit The Petroleum Economist, een blad met een lange en respectabele geschiedenis in analyses van olie- en energiemarkten sinds 1934. Opvallend is vooral de ondertitel:
Net Zero is niet het probleem voor het Britse elektriciteitssysteem. Het echte probleem is een verouderd marktontwerp dat dringend gemoderniseerd moet worden.
De auteur, Adi Imsirovic, is gastdocent bij de masteropleiding Energy Systems aan de faculteit Engineering van de Universiteit van Oxford. Hij is geen activist van Just Stop Oil en evenmin een overijverige kandidaat voor de Green Party. Imsirovic heeft 35 jaar ervaring in de internationale oliehandel en bekleedde diverse topfuncties, waaronder die van wereldwijd hoofd oliehandel bij Gazprom Marketing & Trading en regionaal directeur van Texaco Oil Trading voor Azië. Hij was Fulbright-beursstudent aan de Graduate School of Arts and Sciences van Harvard University, behaalde een doctoraat in de economie en een master in energie-economie, en is auteur van meerdere goed ontvangen boeken over internationale oliemarkten.
Het ‘woke’ Oxford-perspectief
De stelling van dr. Imsirovic dat ‘Net Zero niet het probleem is’ verdient aandacht — niet alleen vanwege zijn cv, maar ook vanwege de reputatie van zijn uitgever. Juist omdat deze stelling zo ver gaat, moet zij worden beoordeeld tegen de achtergrond van het turbulente jaar sinds president Trump aan zijn tweede ambtstermijn begon. In dat jaar trok de Verenigde Staten zich terug uit het Akkoord van Parijs en zegde het lidmaatschap op van onder meer het UNFCCC en het IPCC, samen met meer dan zestig andere VN-gerelateerde organisaties die volgens Washington mogelijk “in strijd handelen met Amerikaanse belangen”. Cruciaal is dat de VS sindsdien ook zijn gestopt met het financieren van Net Zero-initiatieven, inclusief de activiteiten van talloze milieu-ngo’s.
De recente klimaatconferentie COP30 in Belém, Brazilië, eindigde zelfs in chaos — zonder de gebruikelijke slotverklaring waarin het afscheid van fossiele brandstoffen plechtig wordt herhaald.
En toch verschijnt er nu een opiniestuk dat ons vertelt dat Net Zero níet het probleem is. Met Outlook 2026 beoogt Imsirovic een intellectuele reddingsoperatie uit te voeren. Geconfronteerd met groeiende publieke woede over de extreem hoge Britse stroomprijzen, probeert het artikel Net Zero-beleid, subsidies voor hernieuwbare energie en groene heffingen vrij te pleiten, terwijl het de schuld legt bij “slecht markt- en systeemontwerp”.
Het is een verleidelijk verhaal. Door toe te geven dat de prijzen hoog zijn, maar de groene transitie zelf buiten schot te houden, biedt het beleidsmakers een geruststellende uitweg: niet ideologie is het probleem, maar technische inrichting.
Bij nadere beschouwing stort dit narratief echter in. De Britse elektriciteitscrisis is geen ongelukkig neveneffect van een verouderde marktstructuur, maar het voorspelbare resultaat van twintig jaar doelbewuste beleidsvervorming uit naam van decarbonisatie. In Outlook 2026 fungeert ‘marktontwerp’ niet als diagnose, maar als alibi.
Wanneer cijfers misleiden
Het artikel opent met een merkwaardige redenering. Ja, het Verenigd Koninkrijk heeft extreem hoge elektriciteitsprijzen. En ja, het is mode geworden om dat toe te schrijven aan Net Zero, groene heffingen of de kosten van hernieuwbare energie. Maar, zo luidt het argument, groothandelsprijzen vormen slechts 30 tot 45 procent van de eindprijs — ongeveer evenveel als belastingen en heffingen. Dus zou de schuld niet bij decarbonisatie liggen.
Die redenering snijdt geen hout. Dat belastingen en heffingen een vergelijkbaar aandeel hebben, betekent geenszins dat zij onbelangrijk zijn. Subsidies voor hernieuwbare energie — zoals Contracts for Difference, groene certificaten en capaciteitsvergoedingen — zijn geen randkosten, maar het voorspelbare gevolg van het afdwingen dat weersafhankelijke, variabele stroom wordt toegevoegd aan een elektriciteitsnet dat is ontworpen voor betrouwbare, regelbare energiebronnen.
Volgens de Renewable Energy Foundation heeft het VK sinds 2002 circa £220 miljard (prijspeil 2024) uitgegeven aan subsidies voor hernieuwbare energie. De jaarlijkse kosten bedragen inmiddels £25,8 miljard, goed voor ongeveer 40% van de totale systeemkosten. Dat zijn geen boekhoudkundige details, maar de dominante factor achter stijgende energierekeningen.
Energieconsultant Kathryn Porter verwoordde het treffend: burgers is een sprookje verkocht over goedkope hernieuwbare energie. Zelfs met de hoge gasprijzen van 2022 zou het VK zonder Net Zero-beleid £220 miljard hebben bespaard — zo’n £8.000 per huishouden. Zonder de obsessie met decarbonisatie zou elektriciteit vandaag ongeveer 40% goedkoper zijn.
Wat betekent ‘marktontwerp’ eigenlijk?
‘Outlook 2026’ merkt met grote stelligheid op dat een beter ‘marktontwerp’ het mogelijk zou maken om weersafhankelijke, variabele energie te verzoenen met betrouwbaarheid op industriële schaal, en dat bovendien tegen lagere kosten. Tijdsafhankelijke tarieven, dynamische prijsstelling, vraagrespons en zogenoemde ‘lokale balancering’ worden daarbij gepresenteerd als wondermiddelen.
Volgens Imsirovic betalen de meeste huishoudelijke afnemers nog altijd vaste tarieven die nauwelijks verband houden met het tijdstip van de dag of met de actuele toestand van het elektriciteitsnet. Daardoor ontbreekt elke prikkel om het verbruik te verschuiven van piekperioden — die duur en het meest vervuilend zijn — naar goedkopere momenten, wat de elektriciteitskosten voor iedereen opdrijft. Vraagrespons, dynamische tarieven en lokale balancering blijven volgens hem voorlopig uitzonderingen in plaats van de norm.
Maar slechts weinig ontwikkelde economieën hebben tijdsafhankelijke tarieven op grote schaal bij huishoudens ingevoerd, en nog minder hebben overtuigend aangetoond dat dit de totale systeemkosten daadwerkelijk verlaagt, in plaats van het ongemak simpelweg af te wentelen op consumenten. Het idee dat huishoudens hun was midden in de nacht gaan doen, of dat fabrieken hun productie terugschroeven om goedkopere stroom te benutten wanneer de zon schijnt, de wind waait of de vraag tijdelijk laag is, is weinig realistisch. Dit is een schoolvoorbeeld van abstract denken dat losstaat van de werkelijkheid.
De vraag naar elektriciteit — zeker in moderne, geïndustrialiseerde samenlevingen — is relatief inflexibel, juist omdat zij de basis vormt van vrijwel alle andere activiteiten, waaronder de dagelijkse routines van bedrijven en huishoudens.
‘Lokale balancering’ blijft bovendien vaag. Betekent dit decentrale systemen met lokale hernieuwbare bronnen en back-up? Zo ja, wat voor back-up — en op welke schaal? Een typische gasgestookte gecombineerde-cycluscentrale, de standaardtechnologie voor betrouwbare, regelbare elektriciteit, functioneert optimaal bij vermogens van ongeveer 400 MW en dit kan oplopen tot 1.600 MW of meer. Moeten regio’s of steden dan hun eigen gascentrales huisvesten? Of vereist ‘lokale balancering’ in de praktijk grootschalige uitbreiding van het hoogspanningsnet om de grilligheid van wind en zon over regio’s te egaliseren? Dat laatste is precies waar Groot-Brittannië nu al miljarden aan uitgeeft, terwijl de kosten voor netverzwaring, nieuwe transmissielijnen en subsidies onder de Net Zero-agenda blijven oplopen.
Ook de bewering dat wind en zon tegenwoordig ‘bijna overal de goedkoopste vormen van nieuwe elektriciteitsopwekking’ zouden zijn, is een bekend cliché dat instort zodra systeemkosten worden meegerekend. De veelvuldig door voorstanders herhaalde ramingen van de Levelised Cost of Electricity (LCOE) laten juist die kosten buiten beschouwing die variabele opwekking in de praktijk bruikbaar moeten maken: back-upcapaciteit, overdimensionering, opslag, afschakeling (curtailment), systeeminertie, frequentieregeling en uitbreiding van het transmissienet. Zoals elders uitgebreid is gedocumenteerd, laat de Full Cost of Electricity (FCOE) een totaal ander beeld zien dan de misleidend lage LCOE-cijfers.
Zoals energie-econoom Dieter Helm — hoogleraar aan de Universiteit van Oxford, waar dr. Imsirovic gastcolleges verzorgt — stelt in zijn kritiek op ‘goedkope hernieuwbare energie’:
‘Wind- en zonne-energie zijn variabele opwekkingstechnologieën met een lage energiedichtheid, geografisch verspreid. Geen enkele moderne economie kan daar volledig op draaien. Er is altijd back-up nodig — en die back-up vormt een extra kostenpost van hernieuwbare energie. Om duidelijk te zijn: hernieuwbare bronnen betalen niet voor de instabiliteit die zij het systeem opleggen; zij betalen niet voor de extra capaciteit die nodig is om piekvraag te dekken; zij betalen niet voor de extra transmissie- en distributienetten die vereist zijn; en er zijn zeer grote aantallen windturbines en zonnepanelen nodig om — wanneer de wind waait en de zon schijnt — het vermogen van één enkele gascentrale te evenaren.
Welke landen gelden dan als voorbeelden van een beter ‘markt- en systeemontwerp’?
Volgens het rapport presteren in de ontwikkelde wereld vooral systemen beter die hernieuwbare energie combineren met flexibele markten. Duitsland zou aantonen dat hoge belastingen niet per se hoeven te leiden tot hoge inefficiëntie. Frankrijk profiteert van consistent beleid en een stabiele, historisch opgebouwde nucleaire basis. Californië en de Scandinavische landen zouden via dynamische prijzen en grensoverschrijdende handel de variabiliteit van hernieuwbare energie efficiënt weten te beheersen. Het Verenigd Koninkrijk daarentegen zou vooral de nadelen van zowel marktwerking als centrale sturing hebben geërfd.
Duitsland, dat het rapport opmerkelijk genoeg aanhaalt als bewijs dat ‘hoge belastingen niet hoeven te leiden tot hoge inefficiëntie’, geldt inmiddels als Europa’s afschrikwekkende voorbeeld van economisch zelfdestructief energiebeleid. Ondanks meer dan €500 miljard aan uitgaven aan de Energiewende heeft het land kerncentrales gesloten, het kolengebruik (inclusief inferieure bruinkool) uitgebreid om capaciteit en betrouwbaarheid te waarborgen, en ziet het energie-intensieve industrieën naar het buitenland vertrekken. Dat BASF veel activiteiten verplaatst, is geen uitzondering, maar een rationele reactie op structureel niet-concurrerende energiekosten. Duitsland presenteren als een succesverhaal van hernieuwbaar-vriendelijk marktontwerp is moeilijk te rijmen met de overvloed aan berichtgeving in de mainstream media over Duitsland als de ‘zieke man van Europa’.
Landen en regio’s met het hoogste aandeel van wind- en zonne-energie — Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Californië — vertonen eveneens de hoogste elektriciteitsprijzen in de ontwikkelde wereld, een toenemende energiearmoede en een versnellende de-industrialisatie. Het rapport wijst Californië en de Scandinavische landen aan als voorbeelden van flexibele, hernieuwbaar-vriendelijke systemen. Californië ziet echter zowel de elektriciteitsprijzen als het risico op stroomuitval stijgen, terwijl de stabiliteit van het net steeds meer afhankelijk wordt van elektriciteits- en gasimporten en noodmaatregelen.
De Scandinavische landen daarentegen profiteren vooral van overvloedige waterkracht en kernenergie — regelbare energiebronnen, geen variabele. Hun succes ondermijnt het betoog voor hernieuwbare energie eerder dan dat het dit ondersteunt.
De samenhang hier is geen toeval, maar een oorzakelijk verband door de natuurkundige realiteit.
Source: https://clintel.nl/de-britse-elektriciteitscrisis-hoe-net-zero-het-energiesysteem-ontwricht/
.
