“Wie de gegevens beheerst, beheerst de hele wereld.”
Opmerking: dit bericht documenteert de relaties tussen wetenschappelijke adviseurs, hun financiers, ngo’s, de financiële sector en overheden. Ik beschuldig niemand van wangedrag of iets dergelijks. Wat ik documenteer is een wetenschappelijk ecosysteem dat zich heeft ontwikkeld tot een systeem met een diepgaande mondiale economische en politieke betekenis, maar waarbij institutionele verantwoordingsplicht, transparantie en bestuur zich niet parallel hebben ontwikkeld — waardoor er een aanzienlijke kloof tot goed bestuur is ontstaan. Het bestuur van het klimaatonderzoek moet worden herzien.
Het Coupled Model Intercomparison Project (CMIP) maakt deel uit van het World Climate Research Programme (WCRP), dat zich nu in de zevende fase bevindt, is de internationale wetenschappelijke groep onder het World Climate Research Program1, die toezicht houdt op officiële prognoses van de klimaattoekomst. CMIP-scenario’s vormen de basis voor de temperatuur- en uitstootprognoses die ten grondslag liggen aan elk rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en nog veel meer:
- De prognoses vormen de basis voor nationale klimaat-assessments in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Canada, Australië, Japan, Nederland en nog veel meer landen.
- Ze liggen ten grondslag aan schattingen van de zeespiegelstijging die lokale overheden gebruiken om de infrastructuur aan de kust te plannen.
- Ze bepalen ook de prognoses van toekomstige klimaatschade, zoals in schattingen van de “maatschappelijke kosten van koolstof”, die een sleutelrol hebben gespeeld in de federale regelgeving in de VS.
- De prognoses vormen ook de basis voor de scenario’s van het Network for Greening the Financial System (NGFS), die meer dan 140 Centrale Banken en toezichthouders verplicht moeten gebruiken om de kapitaalvereisten van commerciële banken te ‘stresstesten’.
- Ze vormen de klimaatdiagnostiek die het Climate Change Knowledge Portal van de Wereldbank aan meer dan 100 landen aanbiedt, ter ondersteuning van nationale en lokale besluitvorming met betrekking tot klimaatrisico’s.
Biljoenen dollars
Het is niet overdreven om te stellen dat de CMIP-klimaatprognoses invloed hebben op biljoenen dollars aan investeringen en regelgeving. Functioneel gezien behoren ze tot de meest invloedrijke wetenschappelijke producten van de 21e eeuw die zijn ontworpen om beleidsvorming, economie en regelgeving te ondersteunen.2 Het gaat niet alleen om wetenschap, maar ook om wetenschappelijk advies aan beleidsmakers bij de overheid, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld.
Vorige week onthulde ik dat het CMIP versies van zijn nieuwe scenario-set had vrijgegeven en dat het — eindelijk — het verouderde en ongeloofwaardig extreme RCP8.5-scenario had geschrapt dat al meer dan tien jaar het klimaatonderzoek en -beleid domineerde.
Je vraagt je misschien af: wie produceert deze cruciale wetenschappelijke richtsnoeren voor het beleid? Wie neemt eraan deel? Wie niet? Wie beslist wie er mag deelnemen? Aan wie zijn ze verantwoording verschuldigd? Wie ondersteunt hun werk? Hoe wordt de kwaliteitscontrole gewaarborgd? Wie beslist welke waarden prioriteit krijgen – wie wint en wie verliest in de scenario’s?
Opmerkelijk genoeg zijn de antwoorden op dit soort vragen helemaal niet gemakkelijk te vinden, als ze al bestaan.
Achter de schermen
Vandaag neem ik een kijkje achter de schermen van de belangrijkste commissie waar de meeste mensen nog nooit van hebben gehoord, maar die toch invloed heeft op ons allemaal.
De CMIP-scenario’s worden ontwikkeld door een gemeenschap van integrated assessment modellers, die wereldwijd misschien wel tweehonderd mensen telt, verspreid over ongeveer vijftien instellingen, maar sterk geconcentreerd is in twee: het International Institute for Applied Systems Analysis (IIASA) bij Wenen, en het Potsdam Institute for Climate Impact Research (PIK) in het Duitse Potsdam.
Vorige maand publiceerde deze gemeenschap de nieuwe versies van scenario’s die de basis zullen vormen voor de volgende ronde van klimaatmodel-simulaties. Deze zullen worden gebruikt in tienduizenden onderzoeksartikelen waarin voorspellingen worden gedaan over het klimaat, de klimaateffecten en de economische gevolgen, en waarin beleidsalternatieven worden geëvalueerd. Deze scenario’s zullen de basis vormen voor het volgende (zevende) IPCC-assessment, dat later dit decennium wordt verwacht.
De scenario’s worden beschreven in een ontwerpdocument in Geoscientific Model Development van 44 auteurs; een daaropvolgende Zenodo-dataset vermeldt 29 makers van die dataset.3 Zestien van de 29 zijn verbonden aan het IIASA of het PIK.
Veel van deze onderzoekers staan al twee decennia of langer centraal in de scenario-ontwikkeling, verspreid over drie iteraties van ‘scenariofamilies’.
Ik heb de 64 CMIP7-auteurs en makers van datasets vergeleken met de 13 artikelen die eerdere generaties scenario’s vaststelden. Het gaat over de Representative Concentration Pathways (RCP’s) in 2011 en de Shared Socioeconomic Pathways (SSP’s) in 2014 en 2017. Dit levert het volgende op:
- 21 van de 64 (33 procent) CMIP7-deelnemers waren medeauteur van ten minste één fundamenteel RCP- of SSP-artikel.4
- Vijf deelnemers waren medeauteur van alle drie de fundamentele kaders.
- Twee van de drie co-voorzitters van ScenarioMIP-CMIP7 (het comité onder CMIP dat verantwoordelijk is voor de nieuwe scenario’s, red.) waren medeauteur van alle drie de fundamentele kaders.
De onderstaande tabel laat zien dat degenen die verantwoordelijk zijn voor het genereren van klimaatscenario’s, afkomstig zijn uit een zeer kleine groep individuen en instellingen, en hun rol hebben behouden gedurende meerdere iteraties van scenario’s, met name de SSP’s en CMIP7.
CMIP7-auteurs die ook de RCP’s en SSP’s hebben opgesteld — elk van de 21 personen die medeauteur waren van een fundamenteel RCP- (2011) of SSP- (2014/2017) artikel, in kaart gebracht aan de hand van hun deelname aan het nieuwe CMIP7 ScenarioMIP-artikel en de scenario-dataset.
Buitenproportioneel
Twee instellingen spelen in het bijzonder een buitenproportionele rol in de scenario-ontwikkeling: IIASA, het International Institute for Applied Systems Analysis in Oostenrijk, en PIK, het Potsdam Institute for Climate Impact Research in Duitsland.
- IIASA, opgericht in 1972 als een initiatief voor wetenschappelijke samenwerking tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie tijdens de Koude Oorlog, functioneert nu als een internationaal onderzoeksinstituut dat wordt gefinancierd door de wetenschappelijke organisaties van zijn 23 lidstaten.5 Het budget voor 2024 bedroeg 32 miljoen euro, waarvan iets minder dan 40 procent afkomstig was uit lidmaatschapsbijdragen. Sinds juli 2023 staat het onder leiding van Hans Joachim Schellnhuber, die in 1992 het PIK oprichtte en het een kwart eeuw leidde voordat hij naar Wenen verhuisde om leiding te geven aan het IIASA.
- PIK is lid van de Leibniz Association en wordt gezamenlijk gefinancierd door de Duitse federale overheid en de Duitse deelstaten. In 2024 bedroeg de institutionele financiering 14,8 miljoen euro; de externe projectfinanciering (grotendeels afkomstig van de Europese Commissie) bedroeg meer dan 25 miljoen euro. Het wordt geleid door econoom Ottmar Edenhofer (voormalig medevoorzitter van IPCC-werkgroep III) en aardsysteem-wetenschapper Johan Rockström. Sinds november 2024 staat PIK geregistreerd in het lobbyregister van de Bondsdag — wat betekent dat PIK niet alleen een onderzoeksinstituut is, maar ook een lobbygroep die invloed tracht uit te oefenen op het Duitse overheidsbeleid.6
De leiders van IIASA en PIK werken samen aan een gezamenlijk politiek project. Schellnhuber stond 26 jaar lang aan het hoofd van PIK (1992–2018) en werd eind september 2018 opgevolgd door econoom Ottmar Edenhofer en aardsysteem-wetenschapper Johan Rockström als co-directeuren. Zowel Schellnhuber als Rockström zijn co-auteurs van het artikel uit 2009 waarin “planetaire grenzen” werden geïntroduceerd — het raamwerk dat een “veilige operationele ruimte voor de mensheid” voorstelt, gedefinieerd door getalsmatige drempels waarboven veranderingen in het aardsysteem als catastrofaal worden beschouwd. Rockström heeft het concept van de “planetaire grenzen” expliciet in verband gebracht met de neo-Malthusiaanse ideeën van Dennis en Donella Meadows van de Club van Rome (Limits to Growth).
Dezelfde personen die leiding geven aan de instellingen die centraal staan bij de productie van de CMIP7-scenario’s, behoren dus ook tot de belangrijkste publieke voorstanders van een zeer specifieke invulling van wat die scenario’s voor het beleid zouden moeten betekenen.
Connecties
De onderstaande afbeelding toont de primaire en secundaire connecties van de auteurs van het nieuwe artikel waarin de nieuwe CMIP-scenario’s worden beschreven (links), en de makers van de nieuwe scenario-dataset (rechts). U kunt de buitenproportionele rol van IIASA en PIK zien.
IIASA en PIK spelen niet alleen een centrale rol in het CMIP en het IPCC, maar hebben ook aanzienlijke financiering ontvangen van filantropische organisaties die zich inzetten voor het klimaat — ClimateWorks en Bloomberg Philanthropies. Deze financiering ondersteunt de ontwikkeling en promotie van scenario’s die centraal staan in de regelgeving van centrale banken en bedrijven over de hele wereld — hangend onder het Network for Greening the Financial System (NGFS),7 een niet-gouvernementeel consortium van Centrale Banken.8
De financiering van NGFS door Bloomberg en ClimateWorks heeft gevolgen voor vrijwel elke financiële instelling ter wereld. Een IIASA-onderzoeker — die een rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van de RCP’s, SSP’s en CMIP7-scenario’s — legt uit:
“Centrale banken verplichten commerciële banken om onze scenario’s te gebruiken voor financiële stresstests met betrekking tot het klimaat en om de stabiliteit van het financiële systeem te beoordelen in het licht van klimaattransitie-risico’s en fysieke klimaatrisico’s. Deze scenario’s zullen banken helpen om de economie beter bestand te maken tegen klimaatstress en de financiële sector richting de groene transitie te loodsen.”
Verontrustend
De hoofdmodelleurs bij het opstellen van de NGFS-scenario’s zijn ook de hoofdauteurs van de CMIP7-scenario’s en worden gefinancierd door belangenorganisaties met een uitgesproken belang bij specifiek klimaatbeleid en een reputatie hebben in het promoten van extreme, onwaarschijnlijke scenario’s. Mocht dat vreemd of verontrustend klinken – dat is het ook!
Deze innige relaties tussen een zeer kleine groep instellingen en individuen, in combinatie met hun buitenproportionele invloed op de wereldwijde wetenschap, financiën en beleidsvorming, roepen veel vragen op.
Laten we dit eens nader bekijken.
De onderstaande figuur laat zien dat in het nieuwe artikel over de CMIP7-scenario’s en de dataset, 36 unieke instellingen als primaire affiliaties voorkomen.
- Vijftien bevinden zich in Europa (42 procent van het totaal).
- Zes bevinden zich in de Verenigde Staten, het enige vertegenwoordigde Noord-Amerikaanse land (nog eens 17 procent).
- Vijf bevinden zich elders in Azië (Japan en Pakistan);
- Twee bevinden zich in India;
- Eén bevindt zich in China; drie in Zuid-Amerika; twee in Afrika; twee in Oceanië.
Zestien van de 29 vermelde makers van de CMIP7-scenario-dataset zijn verbonden aan IIASA of PIK.9
Andere onderzoekers hebben vragen gesteld bij de concentratie van ontwikkelaars van klimaatscenario’s in Europese en Noord-Amerikaanse instellingen.
Noord en Zuid
Tejal Kanitkar en collega’s toonden aan in hun analyse uit 2024 in Climate Policy (van 556 IPCC AR6-mitigatiescenario’s) dat de aannames in de IPCC-scenario’s de ongelijkheid tussen Noord en Zuid systematisch in stand houden en zelfs vergroten.10 In elk onderzocht scenario blijft het BBP per hoofd van de bevolking in regio’s waar 60 procent van de wereldbevolking woont — Sub-Sahara Afrika, Zuid-Azië, West-Azië en de rest van Azië — onder het wereldwijde gemiddelde, zelfs in 2050.
In dat artikel stellen zij:
“Een grote meerderheid van de scenario’s die uiteindelijk worden beoordeeld in het zesde evaluatierapport van het IPCC, wordt ingediend door modelleerteams die gevestigd zijn in het mondiale Noorden… dit wijdverspreide gebrek aan gelijkwaardigheid roept ernstige vragen op over het gebrek aan diversiteit in de gemeenschap van modelbouwers, waaronder de afwezigheid van perspectieven uit het mondiale Zuiden.”
In het CMIP7-proces is China — verantwoordelijk voor meer dan een kwart van de wereldwijde uitstoot — met slechts één instelling vertegenwoordigd. India, het dichtstbevolkte land ter wereld, heeft er twee. Heel Afrika heeft er twee. De gemeenschappen wier ontwikkelingspaden op de lange termijn het meest op het spel staan, hebben de minste inbreng in de scenario’s die deze paden beschrijven.
Het verbaast me dat de regeringen van deze landen en regio’s nog niet in actie zijn gekomen als reactie op hun gebrek aan inbreng en invloed op deze ongelooflijk belangrijke wetenschappelijke adviesprocessen met brede mondiale invloed.
Denk eens aan wat we normaalgesproken verwachten van elk adviesorgaan – laat staan een orgaan waarvan de uitkomsten biljoenen dollar in beweging zetten en het mondiale energie- en klimaatbeleid bepalen. Onder die verwachtingen vallen:
- een gepubliceerde taakomschrijving (Terms of Reference);
- een transparante procedure voor het selecteren van leden;
- een samenstelling die representatief is voor de landen en belangen die door het deskundig advies worden beïnvloed;
- duidelijk omschreven criteria voor hoe scenario’s worden opgesteld, opgenomen of uitgesloten;
- een externe peer-gemeenschap met vergelijkbare expertise om de gemaakte keuzes te beoordelen;
- de mogelijkheid voor het publiek om commentaar te geven op voorgestelde producten;
- openbaarmaking en management van belangenconflicten.
Geen goed bestuur
Ik kan geen openbare documenten van het CMIP vinden waarin procedures worden beschreven om aan deze zeer fundamentele verwachtingen van goed bestuur te voldoen (betreffende instellingen die invloedrijk wetenschappelijk advies geven aan beleidsmakers). Als ze al bestaan, zijn ze goed verborgen.
Het CMIP-panel zelf lijkt deze lacune in goed bestuur te hebben erkend in zijn rapport van maart 2025 aan het Joint Scientific Committee van het World Climate Research Programme:
“Met de verbreding van de betrokkenheid bij het CMIP-project is er behoefte aan consistenter en gedetailleerder bestuur en begeleiding…het CMIP wil graag praten over het verkrijgen van een mandaat en het bespreken van bestuurlijke opties voor het informele consortium dat deze datasets produceert.”11
Om de lacune in de juiste context te plaatsen, is het nuttig te kijken naar hoe vergelijkbare adviesorganen worden bestuurd.
- In de Verenigde Staten regelt de Federal Advisory Committee Act van 1972 (FACA) de panels die advies geven aan federale instanties — organen zoals de Science Advisory Board van de EPA of de panels voor het toelaten van geneesmiddelen van de FDA. Op grond van de FACA moet elke onder de wet vallende commissie een openbaar handvest indienen waarin haar missie en lidmaatschapsregels worden uiteengezet; zij moet ten minste vijftien dagen voor elke vergadering een kennisgeving publiceren in het Federal Register; vergaderingen moeten in het algemeen openbaar zijn, waarbij leden van het publiek schriftelijke verklaringen mogen indienen en, naar goeddunken van het agentschap, de commissie rechtstreeks mogen toespreken; notulen en werkdocumenten moeten beschikbaar worden gesteld; en het lidmaatschap van de commissie moet “evenwichtig zijn samengesteld wat betreft de vertegenwoordigde standpunten”.
- In de Europese Unie eist de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA), die de veiligheid van voedsel-additieven, pesticiden en GGO’s (Genetisch Gemodificeerde Organismen) beoordeelt, en waarvan de adviezen rechtstreeks worden meegenomen in regelgevingsbesluiten van de Commissie, dat elke deskundige in haar panels en werkgroepen een jaarlijkse belangenverklaring indient met betrekking tot financiële belangen, dienstverbanden, adviesopdrachten en onderzoeksfinanciering voor zichzelf en hun naaste familieleden over de afgelopen vijf jaar; de juridische afdeling van de EFSA screent elke verklaring voorafgaand aan elke vergadering op belangenconflicten, en deskundigen met actieve commerciële banden met de betrokken sectoren worden zonder meer uitgesloten.
- De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) eist hetzelfde van elk lid van haar deskundigenpanels, adviescommissies en werkgroepen voor het opstellen van richtlijnen; verklaringen worden beoordeeld vóór de benoeming en nogmaals vóór elke vergadering; beknopte informatie wordt gepubliceerd bij de daaruit voortvloeiende rapporten, en de WHO kan terugtrekking of beëindiging eisen als er een relevant belang aan het licht komt. Elk van deze regelingen heeft betrekking op organen waarvan de individuele beslissingen doorgaans minder verstrekkende gevolgen hebben dan de emissiescenario’s die ten grondslag liggen aan het volgende IPCC-assessment, de klimaat-stresstests die door elke commerciële bank worden uitgevoerd en nationale regelgeving.
Contrast
Het contrast tussen het bestuur van deze belangrijke wetenschappelijke adviesorganisaties en de manier waarop CMIP-scenario’s tot stand komen – zonder openbaar handvest, zonder gepubliceerde Terms of Reference voor het orgaan dat ze selecteert, zonder gestandaardiseerde belangenverklaringen, zonder transparantie over hoe deelnemende deskundigen worden geselecteerd en zonder mogelijkheid voor publieke inbreng in voorgestelde producten – geeft aan dat instellingen voor klimaatonderzoek die zijn opgericht om beleidsmakers te informeren, hun bestuur aanzienlijk moeten verbeteren.
Noten
1 Het Coupled Model Intercomparison Project (CMIP) maakt deel uit van het World Climate Research Programme (WCRP). Het dagelijks beheer van het CMIP is in handen van het CMIP-panel en het WGCM-infrastructuurpanel, die rapporteren aan de Werkgroep voor Gekoppelde Modellering (WGCM) van het WCRP; de WGCM legt op haar beurt verantwoording af aan het Gezamenlijk Wetenschappelijk Comité van het WCRP, een panel van 18 vrijwillige wetenschappers die in onderling overleg door de drie sponsors van het WCRP zijn gekozen. Het WCRP zelf is een gezamenlijk programma — geen VN-agentschap — dat mede wordt gesponsord en gedeeltelijk gefinancierd door de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO), de Internationale Wetenschapsraad (ISC, de gefuseerde opvolger van ICSU sinds 2018) en de Intergouvernementele Oceanografische Commissie van UNESCO (IOC-UNESCO), met aanvullende bijdragen van nationale overheden en donoren. Het kleine secretariaat (~8 medewerkers) is ondergebracht bij de WMO in Genève, en de operationele ondersteuning voor CMIP wordt verzorgd door het CMIP International Project Office in de ECSAT-faciliteit van het Europees Ruimteagentschap in het Verenigd Koninkrijk.
De drie WCRP-sponsors zijn de WMO, UNESCO IOC en ISC:
- De Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) is een gespecialiseerd agentschap van de Verenigde Naties, bestuurd door het Wereld Meteorologisch Congres van haar 193 lidstaten en gebieden — dat om de vier jaar bijeenkomt en de Uitvoerende Raad en de secretaris-generaal kiest — en gefinancierd door vastgestelde bijdragen van die lidstaten plus vrijwillige en extra-budgettaire financiering (29,4 miljoen CHF in 2024).
- De Intergouvernementele Oceanografische Commissie (IOC) van UNESCO is een orgaan binnen UNESCO — zelf een gespecialiseerd agentschap van de VN — dat wordt bestuurd door een Vergadering van haar 153 lidstaten met een Uitvoerende Raad van 40 gekozen lidstaten, en voornamelijk wordt gefinancierd uit de reguliere begroting van UNESCO plus extra-budgettaire bijdragen van de lidstaten.
- De Internationale Wetenschapsraad (ISC), opgericht in 2018 door de fusie van ICSU en de Internationale Raad voor Sociale Wetenschappen, is helemaal geen VN-orgaan, maar een internationale niet-gouvernementele organisatie van 250 lidorganisaties — voornamelijk nationale wetenschapsacademies, onderzoeksraden en internationale wetenschappelijke unies — bestuurd door een gekozen bestuursraad, met basisfinanciering uit lidmaatschapsgelden en een subsidie van de Franse regering als gastland, aangevuld met projectsubsidies van stichtingen, regeringen en VN-organen (jaarlijks budget in de orde van grootte van € 8 miljoen).
Hoewel het WCRP soms kortweg wordt omschreven als een “VN-programma”, behoort slechts één van de drie sponsororganisaties daadwerkelijk tot het VN-systeem, is een tweede ondergebracht bij een VN-agentschap en is de derde een wetenschappelijke ngo met particuliere leden zonder enig direct overheidstoezicht.
Als de verantwoordingsplicht van deze wirwar van organisaties complex of ongrijpbaar lijkt, dan klopt dat.
2 NGFS, lidmaatschap: medio 2025 145 centrale banken en toezichthouders plus 23 waarnemers. In de Phase V Technical Documentation (nov. 2024) van het NGFS wordt opgemerkt dat het werk “mogelijk is gemaakt door subsidies van de ClimateWorks Foundation”; in eerdere versies werd ook Bloomberg Philanthropies genoemd. De database wordt gehost bij IIASA. De drie IAM-teams zijn PIK (REMIND-MAgPIE), IIASA (MESSAGEix-GLOBIOM) en JGCRI bij PNNL/UMD (GCAM). Elmar Kriegler van PIK wordt aangeduid als coördinator van het academisch consortium bij UMD School of Public Policy.
3 Van Vuuren, D.P., et al. (2026), “The Scenario Model Intercomparison Project for CMIP7”, Geosci. Model Dev. 19(7), 2627–2656, https://doi.org/10.5194/gmd-19-2627-2026. Bijbehorende dataset: Kikstra, J., et al. (2026), CMIP7 IAM-kwantificatiedataset, Zenodo, https://doi.org/10.5281/zenodo.19825038.
4 Fundamentele artikelen waarnaar wordt verwezen: Van Vuuren et al. 2011 RCP-overzicht; Van Vuuren et al. 2011 RCP2.6; Thomson et al. 2011 RCP4.5; Masui et al. 2011 RCP6.0; Riahi et al. 2011 RCP8.5; O’Neill et al. 2014 SSP-concept; O’Neill et al. 2017 SSP-beschrijvingen; Riahi et al. 2017 SSP-overzicht; en de vijf SSP-marker IAM-artikelen (Glob. Environ. Change 42, 2017): Van Vuuren et al. SSP1/IMAGE; Fricko et al. SSP2/MESSAGE-GLOBIOM; Fujimori et al. SSP3/AIM; Calvin et al. SSP4/GCAM; Kriegler et al. SSP5/REMIND-MAgPIE.
5 IIASA, “Het instituut”: “In 2024 steeg het jaarlijkse budget van het instituut tot bijna 32 miljoen euro, waarvan iets minder dan 40 % afkomstig was van nationale en regionale lidorganisaties van IIASA.” 23 NMO’s staan vermeld op iiasa.ac.at/members. Schellnhuber richtte PIK op in 1992; benoemd tot directeur-generaal van IIASA in juli 2023.
6 PIK, “Over het instituut”: institutionele financiering in 2024 van € 14,8 miljoen plus meer dan € 25 miljoen aan externe projectfinanciering (grotendeels afkomstig van de Europese Commissie). Sinds november 2024 geregistreerd in het lobbyregister van de Duitse Bondsdag.
7 Het is hier het vermelden waard dat het NGFS gebruik blijft maken van de apocalyptische resultaten van de ingetrokken studie van Kotz et al. over toekomstige klimaatschade — waarvoor het de belangrijkste financier was.
8 IIASA beheert de IPCC AR6-scenariodatabase in het kader van een samenwerkingsovereenkomst met IPCC-werkgroep III; de tekst van die overeenkomst lijkt niet openbaar te zijn. Sinds 2024 fungeert IIASA als secretariaat van het Integrated Assessment Modeling Consortium (zie IIASA op de zeventiende IAMC-jaarvergadering). IIASA coördineert ook de verwerking van CMIP7-emissies en -concentraties in het kader van een EU/ECMWF-contract (zie ECMWF DestinE-project).
9 CMIP, “ScenarioMIP”. De huidige SSC met 21 leden (met affiliaties: 9 in Europa, 5 in Azië, 4 in Noord-Amerika, 2 in Zuid-Amerika, 1 in Afrika, 0 in Oceanië), de adviesgroep met ~75 leden en de drie covoorzitters (Brian O’Neill, Claudia Tebaldi, Detlef van Vuuren) staan daar vermeld.
10 Kanitkar, T., Mythri, A., & Jayaraman, T. (2024), “Equity assessment of global mitigation pathways in the IPCC Sixth Assessment Report”, Climate Policy 24(8), 1129–1148, https://doi.org/10.1080/14693062.2024.2319029. De auteurs zijn verbonden aan het National Institute of Advanced Studies in Bengaluru en de M.S. Swaminathan Research Foundation in Chennai. Zij analyseren 556 IPCC AR6 WGIII-scenario’s en constateren dat in al deze scenario’s het BBP per hoofd van de bevolking van regio’s die 60% van de wereldbevolking omvatten (Sub-Sahara Afrika, Zuid-Azië, West-Azië en de rest van Azië) zelfs in 2050 onder het wereldwijde gemiddelde blijft. Ik besprak dit artikel in “Climate Policy Rethink” (THB, maart 2024) .
11 CMIP-panel en WGCM-infrastructuurpanel, “JSC-46-rapportage” (maart 2025). Achtergrond: het WCRP delegeert het dagelijks bestuur van het CMIP aan het CMIP-panel en het WGCM-infrastructuurpanel; het WIP heeft openbare taakomschrijvingen; vergelijkbare documenten voor het CMIP-panel zelf en de ScenarioMIP SSC lijken niet openbaar te zijn geïndexeerd.
Source: https://clintel.nl/s-werelds-belangrijkste-wetenschappelijke-adviescommissie/
.



