
De beelden en teksten vanaf de Dam in Amsterdam zijn ronduit maagomdraaiend. Een pro-Palestijnse demonstrant en lokale fietsenmaker besloot donderdag een speech te geven die bol stond van ‘kwetsende’ retoriek. Toen De Telegraaf hem daarmee confronteerde, volgde een explosie van gescheld. De reflex in politiek en media is inmiddels voorspelbaar: totale paniek, verontwaardiging en de roep om een direct verbod. Maar hoe afschuwelijk de uitspraken ook zijn, we begeven ons hiermee op levensgevaarlijk ijs. In Nederland lijken we structureel vergeten te zijn waar de vrijheid van meningsuiting daadwerkelijk voor dient. Dat fundamentele recht is er niet om louter gezellige, algemeen geaccepteerde praatjes te beschermen, maar juist om de meest schurende en beledigende opvattingen in de openbaarheid te tolereren.
Een walgelijke tirade in het openbaar
“jammer was dat het toen niet is afgemaakt, anders zaten we nu niet met dit gezwel. Deze kanker! Niet te genezen. Een gezwel moet je bestralen om er vanaf te komen”.
Het is retoriek die regelrecht uit de allerdonkerste krochten van de geschiedenis lijkt te komen. Toen journalisten deze man opbelden voor een noodzakelijk weerwoord, verloor hij volledig de controle. Na een agressieve tirade beëindigde hij het telefoongesprek luidkeels met de woorden: “Sterf! Sterf!”. Later probeerde hij via een omweg zijn teksten nog in te dekken door te claimen dat hij doelde op de Tweede Intifada, maar de maskers waren toen al lang en breed afgevallen.
LAAT DE WAARHEID NIET VERZWIJGEN: Blijf op de hoogte van het principiële verdedigen van onze vrijheden! (LET OP: HET ARTIKEL GAAT HIERONDER DIRECT VERDER!)
De absolute essentie van de meningsvrijheid
Natuurlijk sprak burgemeester Femke Halsema direct haar “grote afschuw en verontwaardiging” uit. Ze noemde de speech “Een grove schande en ronduit antisemitisch”. Ook Naomi Mestrum van het CIDI deed per direct aangifte en sprak vol afgrijzen over “onversneden antisemitisme”. D
e menselijke emotie achter deze reacties is volkomen begrijpelijk, maar de politiek-juridische reflex die daarop volgt, is fundamenteel fout. Halsema liet direct optekenen na te gaan of ze “mogelijkheden hebben om demonstraties van deze organisatie te verbieden.”
Hier raken we exact de rotte kern van het huidige maatschappelijke debat in Nederland. Zodra een groep zich beledigd, gekwetst of aangevallen voelt, grijpt de overheid onmiddellijk naar de censuurbijl. Maar absolute vrijheid van meningsuiting betekent exact dat: de onvoorwaardelijke vrijheid om een mening te uiten, hoe kwetsend die mening ook is.
Het vrije woord als wapen tegen extremisme
Het Nederlands strafrecht kent bepalingen rondom groepsbelediging en aanzetten tot haat (het welbekende artikel 137), en het Openbaar Ministerie zal zich hier ongetwijfeld gretig over buigen. Maar filosofisch en strategisch gezien snijden we onszelf met de roep om verboden gruwelijk in de vingers.
Het is vele malen beter, gezonder en veiliger dat mensen als El Houmani in de open lucht op de Dam, met een microfoon in de hand, aan heel Nederland exact laten zien wat ze ten diepste denken.
Zodra de staat dit soort uitingen verbiedt en organisaties monddood maakt, verdwijnen deze denkbeelden namelijk niet. Integendeel. Ze gaan ondergronds verder in besloten chatgroepen en donkere achterafzaaltjes, ver buiten het zicht van de open samenleving. Door het extremisme vol in het harde daglicht te laten staan, kan het publieke debat erop reageren.
Het is hoog tijd dat Nederland weer een ondoordringbare huid kweekt en stopt met het juridisch pamperen van gekwetste gevoelens, hoe abject de man op de zeepkist ook is.
.

