• do. jan 29th, 2026

2. Waarom boekhouding van primaire energie belangrijk is

Statistieken over primaire energie vormen de basis van bijna elke discussie op hoog niveau over energie, klimaat en geopolitiek. Energie-intensiteit, decarbonisatie-trajecten, het ‘aandeel’ van verschillende brandstoffen en technologieën en veel net-zeroscenario’s zijn gebaseerd op hoe primaire energie wordt gedefinieerd en gemeten. Echter, het concept van primaire energie dat in de statistiek wordt gebruikt, is niet gebaseerd op directe observatie, maar is het product van conventies.

Twee hoofdbenaderingen staan hierbij altijd naast elkaar:

  • De ‘fossiele brandstof-equivalent-‘ of substitutie-methode, waarin hernieuwbare elektriciteit uit niet-brandbare bronnen (wind, zon, waterkracht, kernenergie, enz.) wordt uitgedrukt in termen van de hoeveelheid fossiele energie die nodig zou zijn om in een thermische energiecentrale dezelfde hoeveelheid elektriciteit te produceren; en
  • De methode van ‘fysieke-energie-inhoud’, waarbij de primaire energie voor niet-brandbare hernieuwbare energie simpelweg de opgewekte elektriciteit is, zonder kunstmatige vermenigvuldiger.

Decennialang gebruikte de SRWE de substitutiemethode, wat intuïtief logisch was in een wereld die werd gedomineerd door steenkool, olie en gas, waar bijna alle elektriciteit werd opgewekt door thermische elektriciteitscentrales. Gezien het groeiende belang van niet-brandbare hernieuwbare energiebronnen en gezien de verstoringen die door deze conventie werden geïntroduceerd, schakelde de Review in 2025 echter over op een fysieke-inhoudsbenadering voor niet-brandbare hernieuwbare energie. Hiermee sluit de Review aan bij de lang bestaande praktijk van het IEA (International Energy Agency), Eurostat, de VN, meer recentelijk, de Amerikaanse EIA (Energy Information Administration).

Deze methodologische verschuiving veroorzaakte een schijnbaar ‘plotselinge’ daling van het aandeel hernieuwbare energie in de primaire energie en een overeenkomstige toename van het aandeel fossiele brandstoffen, hoewel er van het ene jaar op het volgende in de fysieke werkelijkheid geen enkele grote verandering in het energiesysteem had plaatsgevonden.

3. Historische methodologie: het substitutieparadigma

Met de traditionele substitutiemethode krijgt een niet-brandbare elektriciteitsbron een primair energiegehalte gelijk aan de hoeveelheid brandstof die nodig zou zijn geweest in een standaard thermische energiecentrale. Als de referentie-efficiëntie 38–40% is, wordt 1 kWh elektriciteit beschouwd als een vereiste van ongeveer 2,5–2,6 kWh primaire energie. In joule-termen wordt 1 kWh (3,6 MJ) hernieuwbare elektriciteit dan genoteerd als ongeveer 9–10 MJ primaire energie.

Deze logica was oorspronkelijk bedoeld om een consistente vergelijking van fossiele en niet-fossiele elektriciteit mogelijk te maken in een systeem waar thermisch geproduceerde energie de standaard was. Ze benadrukt ook impliciet de ‘vermeden brandstof’ die zulke technologieën leveren. Doordat niet-brandbare hernieuwbare energie nog marginaal was, was de verstoring die dit veroorzaakte in de totale primaire-energieverhouding bescheiden.

Echter, naarmate wind- en zonne-energie steeds sterker groeiden, begon de substitutiemethode het aandeel van de vormen in de primaire energie op te blazen. Hierdoor ontstonden twee grote kunstmatige verschijnselen.

  • Een te hoog geschat aandeel hernieuwbare energie: hernieuwbare elektriciteit werd gewaardeerd op basis van de hypothetische brandstofinput die het verdrong, niet op basis van de fysieke output. Dit verhoogde het gerapporteerde aandeel in de primaire energie aanzienlijk.
  • Een kunstmatige daling van de primaire energievraag: toen systemen overstapten van fossiele elektriciteit (met grote thermische verliezen) naar hernieuwbare elektriciteit (met minimale upstream-verliezen), neigde de statistische primaire energievraag af te vlakken of te dalen, zelfs wanneer het uiteindelijke energieverbruik stabiel of toenemend was.

Met andere woorden, de oude methode liet het systeem zowel schoner als ‘efficiënter’ lijken dan het in werkelijkheid was in termen van geleverde energievoorzieningen. Het leidde ook tot verwarring tussen echte verbeteringen in energie-efficiency en louter boekhoudkundige veranderingen.

4. De Nieuwe Methode in SRWE 2025

De SRWE van 2025 vervangt de substitutiemethode voor hernieuwbare energiebronnen door een benadering gebaseerd op het fysieke energiegehalte. Binnen dit kader:

  • Voor wind, zonne-energie (PV) en waterkracht wordt primaire energie gedefinieerd als de opgewekte elektriciteit; met andere woorden, 1 kWh primaire energie is gelijk aan 1 kWh hernieuwbare elektriciteit (d.w.z. 3,6 MJ).
  • De focus verschuift daarmee van ‘primair energieverbruik’ naar de totale energievoorziening, die wordt gedefinieerd als productie plus import minus export en voorraadveranderingen, in lijn met het bredere internationale gebruik.

Deze overgang weerspiegelt de aanpak van het IEA en Eurostat, die al lange tijd een definitie geven van de eerste bruikbare vorm van energie uit niet-brandbare hernieuwbare energie als elektriciteit.

Belangrijk is op te merken dat voor kernenergie niet dezelfde verandering wordt gevolgd. Voor kernenergie blijft de SRWE de thermisch equivalente benadering hanteren. Dit is in overeenstemming met de praktijk van het IEA en Eurostat. Kernenergie wordt gedefinieerd als geproduceerde elektriciteit, gedeeld door een standaardefficiency van ongeveer 33%. Zo is 1 kWh kernenergie dan gelijk aan ongeveer 10,9 MJ primaire energie.

Evenzo worden conventionele efficiency-factoren nog steeds gebruikt voor geothermische energie en bepaalde vormen van biomassa voor elektriciteitsopwekking, in plaats van een strikte één-op-één opstelling tussen elektriciteit en primaire energie. Dit weerspiegelt de onderliggende thermodynamische omzetting.

Zo betreft de belangrijkste verandering in 2025 dus de niet-brandbare hernieuwbare energie (wind-, zonne- en waterkracht-energie) en niet kernenergie, waarvan de statistische benadering structureel bij het oude blijft.

5. Numerieke Effecten op de Mondiale Energiebalans

Aan de hand van de hiervoor vermelde methode en de meest recent gerapporteerde wereldwijde geaggregeerde cijfers luidt het primaire energieaandeel voor 2024 (gepubliceerd in juni 2025) als volgt:


Source: https://clintel.nl/de-energietransitie-blijkt-statistisch-mooier-dan-ze-is/

.


Door Clintel

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *