Het Europese Copernicus schreef onlangs op haar website: “The period from June to August 2026 was the joint-warmest on record globally, on par with 2024.” Is dat zo? Ik dook erin.
Om de temperatuur aan het aardoppervlak te meten zijn er twee methodes: met behulp van thermometers (in situ) en met behulp van satellieten. Regelmatige thermometermetingen bestaan al sinds de 19e eeuw en leveren dus (met name in Noord-Amerika en Europa) lange tijdreeksen. Groot nadeel van deze metingen is dat ze ruimtelijk bezien zeer ongelijkmatig verspreid zijn. In grote delen van Afrika, delen van Zuid-Amerika en beide poolgebieden wordt nog steeds niet of nauwelijks bruikbaar gemeten. Hieronder een kaart van actuele en historische weerstations
Fig.1 Bron: UCAR
Dat geldt nog sterker voor de metingen op de oceanen en zeeën, die ruim 70% van het aardoppervlak bestaan. De primaire bronnen zijn scheeps- en boeimetingen, vanaf 2000 aangevuld met Argo-float data. Dat laatste is een verbetering, maar nog steeds zijn de metingen op zeeën en oceanen dun en onregelmatig gezaaid. Er worden biascorrecties toegepast (o.a. scheepsmetingen ten opzichte van boeien) en gebruik gemaakt van statistische interpolatie om gaten op te vullen.
Fig.2 Data: NASA
Op de kaart van figuur 2 is de temperatuuranomalie weergegeven op basis van GHCV_v4 (landdata) en ERSST_v5 (zeedata). Grijs betekent dat er geen data beschikbaar zijn. Er is smoothing toegepast als stations binnen 250 km afstand van elkaar liggen. De anomalie per cel geeft het verschil weer tussen de zomertemperatuur (jun-jul-aug) van 2026 en de gemiddelde zomertemperatuur van de afgelopen 10 jaren (2016-2025). De opvallend rode kleur van de Grote Oceaan voor de westkust van Zuid-Amerika is het gevolg van het verschijnsel El Niño in 2026.
NASA levert nog een andere kaart op basis va de thermometermetingen, maar dan met een smoothing van 1200km. Daarmee worden de grijze gebieden helemaal ‘dichtgesmeerd’ met kleuren, terwijl er in die gebieden geen temperatuurdata voorhanden zijn. Die + 0,31 in de rechter bovenhoek van figuur 1 is het globale verschil tussen de temperatuur anomalieën van de zomer 2026 ten opzichte van die van 2016-2025 (in °C). De gemiddelde globale temperatuuranomalie van de zomer 2026 lag dus volgens de kaart van figuur 1 + 0,31 °C hoger dan het gemiddelde van 2016-2025.
Fig.3 Data: NASA
Figuur 3 geeft ook de zomer anomalieën weer van 2026 ten opzichte van 2016-2025, maar dan gebaseerd op satellietmetingen van AIRS. AIRS meet infraroodstraling, verspreid over verschillende absorptiegebieden. Daarmee kan uit de gemeten straling een verticaal temperatuurprofiel van de atmosfeer ter plekke worden gereconstrueerd, van het aardoppervlak tot aan de top van de atmosfeer. Dat is ingewikkeld en er moet voor een aantal zaken worden gecorrigeerd. Maar het grote voordeel van de satellietmetingen is dat overal op aarde wordt gemeten.
Het verschil met figuur 2 is snel duidelijk. De ruimtelijke verdeling van warmere en koudere gebieden toont op beide kaarten hetzelfde patroon, maar figuur 3 op basis van de satellietdata toont veel meer blauw en minder rood. De globaal gemiddelde anomalie is hier minus 0,20 °C. Dat betekent dat op basis van de satellietdata de gemiddelde globale temperatuuranomalie van de zomer 2026 dus – 0,20 °C lager lag dan de gemiddelde zomertemperatuur van de periode 2016-2025.
Fig.4 Bron: NASA
De grafiek van figuur 4 hoort bij de kaart van figuur 3 en geeft per 2 breedtegraden de zomer temperatuur anomalie weer. Boven de 0-lijn betekent hogere zomer anomalie dan de referentieperiode, beneden de 0-lijn een lagere. De hoge cijfers in de tropen zijn met name afkomstig van het El Niño-effect. De hoge cijfers tussen 60-75 NB zijn afkomstig van de opmerkelijke hoge zomertemperaturen in NW Siberië en NO Canada.
Al met al is het duidelijk dat het kaartbeeld sterk bepaald wordt door de bron van de data. Beide kaarten, figuur 2 en figuur 3, geven niet DE zomerse temperatuur anomalieën weer, maar de resultante van een ingewikkeld meet- en correctietraject, het ene gebaseerd op thermometerdata, het andere op satellietdata.
Fig.5 Bron: NASA
Ik heb een voorkeur voor de satellietdata (bij temperatuurmetingen, niet bij zeespiegelmetingen). Niet alleen wordt vrijwel elk hoekje van de aarde gemeten, maar de meetresolutie waarop dat plaatsvind is hoog. Bij de thermometermetingen is de resolutie afhankelijk van de afstand tussen twee nabijgelegen meetstations. In Noord-Amerika en West-Europa zijn die afstanden relatief klein, in vele andere delen van de wereld groot tot zeer groot. Bovendien zijn de satellietmetingen onderwerp van constante technische verbeteringen, veel meer dan bij het thermometernetwerk waar verbeteringen vaak meer statistisch van aard zijn.
Source: https://clintel.nl/zomertemperatuur-2026-warmste-zomer-aarde/
.





