
Het gesprek begint met de recente ontwikkelingen rond Anthony Fauci in de Verenigde Staten. De hosts constateren dat er steeds meer informatie over de aanpak van de coronapandemie en de rol van Fauci naar buiten komt, maar dat de media in Nederland en België daar opvallend weinig aandacht aan besteden. Dick Bijl en Erwin Annys herkennen dat beeld. Volgens hen is de terughoudendheid van de media niet beperkt tot corona, maar past die in een bredere ontwikkeling waarin de journalistiek onvoldoende kritische afstand bewaart tegenover politiek en wetenschap. Zij stellen dat de academische wereld en de media tijdens de pandemie sterk met de betrokken instellingen en personen verweven zijn geraakt.
Fauci als onderdeel van een groter systeem
Erwin Annys stelt dat Fauci en de Belgische viroloog Marc Van Ranst een beleid hebben uitgedragen dat weliswaar in een medisch jasje werd gepresenteerd, maar in wezen geen medisch beleid was. Uit vrijgekomen e-mails blijkt dat betrokken artsen intern twijfels hadden over bepaalde ontwikkelingen, terwijl zij naar buiten toe een ander verhaal vertelden. Annys noemt daarbij onder meer zorgen over mogelijke effecten van vaccinatie tijdens de zwangerschap.
Voor Annys is vooral de combinatie van die interne twijfels met de uitspraak “the game is on” veelzeggend. Hij verbindt die uitspraak aan een al jarenlang voorbereid programma rond pandemieën, bioveiligheid en de ontwikkeling van technologie waarmee snel medische producten kunnen worden ingezet.
De gesprekspartners verschillen enigszins in hun interpretatie van de recente ontwikkelingen in de VS. Eén van de hosts verwacht dat de Amerikaanse ontwikkelingen vooral politiek van aard zijn en samenhangen met de tegenstelling tussen Democraten en Republikeinen. Bijl ziet echter meer mogelijkheden voor een fundamentele afrekening met het systeem en denkt dat de Amerikaanse samenleving beter in staat is nieuwe informatie kritisch te verwerken dan bijvoorbeeld de Nederlandse samenleving.
Van medische aanpak naar biodefensie
Een belangrijk deel van het gesprek gaat vervolgens over de vraag wie volgens Annys tijdens de pandemie feitelijk aan de knoppen zat. Zijn centrale stelling is dat het beleid niet primair vanuit medische instanties als NIH, CDC en HHS werd aangestuurd, maar vanuit veiligheids- en defensieorganisaties, waaronder het Pentagon en het Department of Homeland Security.
Volgens deze visie waren artsen als Fauci vooral degenen die een reeds bepaald beleid publiekelijk moesten uitdragen. De pandemie zou daardoor volgens Annys niet in de eerste plaats als een gezondheidsprobleem zijn benaderd, maar als een onderdeel van een biodefensie- en antiterreurprogramma. Lockdowns en vaccinatie worden in dat kader gezien als onderdelen van een vooraf bestaande strategie.
Daarbij wordt een verbinding gelegd met gain-of-function-onderzoek, biodefensie en de ontwikkeling van mRNA-technologie. Annys beschrijft de mRNA-technologie als een platform dat oorspronkelijk mede vanuit militaire behoeften is ontwikkeld om snel bescherming te kunnen ontwikkelen tegen biologische dreigingen.
Een belangrijk onderdeel van zijn redenering is de Amerikaanse Emergency Use Authorization en de PREP Act. Volgens Annys creëerden die regelingen een juridisch kader waarin producten konden worden ingezet zonder het normale traject dat voor geneesmiddelen geldt. De contracten tussen Defensie en Pfizer worden daarbij genoemd als aanwijzing dat het om een defensieprogramma ging en niet uitsluitend om een regulier medisch programma.
De rol van de farmaceutische industrie
Dick Bijl legt een iets ander accent. Hij ziet vooral een ontwikkeling waarin de farmaceutische industrie gedurende tientallen jaren steeds meer macht heeft gekregen binnen wetenschap, politiek, medische opleidingen en regelgeving. Volgens hem heeft de industrie geprobeerd mensen op belangrijke posities te krijgen en is dat grotendeels gelukt.
De coronapandemie wordt in zijn visie tegelijk als een keerpunt beschouwd. Bijl denkt dat het vertrouwen van de bevolking in farmaceutische bedrijven, registratieautoriteiten en vaccinatie sterk is afgenomen. De industrie heeft daarmee uiteindelijk in zekere zin in eigen voet geschoten.
Annys sluit zich daarbij aan, maar plaatst de farmaceutische industrie binnen een groter netwerk waarin militaire, politieke en commerciële belangen samenkomen. Hij beschrijft het geheel als een businessmodel waarin wordt geïnvesteerd in het voorbereiden op een mogelijke pandemie of bioterroristische aanval en waarin vervolgens een financiële opbrengst moet worden gerealiseerd.
Daarbij noemt hij de ontwikkeling van mRNA-technologie als een voorbeeld van een technologie die dankzij het bijzondere juridische kader kon worden uitgerold. De uitspraak “the game is on” krijgt in zijn interpretatie de betekenis van het moment waarop een jarenlang opgebouwd systeem daadwerkelijk economisch kon worden benut.
De vaccins en mogelijke gezondheidsschade
Vervolgens verschuift het gesprek naar de veiligheid van de coronavaccins. Bijl en Annys nemen hier een uitgesproken standpunt in. Zij stellen dat de vaccins onveilig zijn en dat er inmiddels een omvangrijke hoeveelheid wetenschappelijke literatuur en onderzoek naar mogelijke schade bestaat.
Annys beschrijft daarbij een mechanisme waarbij het mRNA en de daaruit voortkomende spike-eiwitproductie zich niet beperkt tot de injectieplaats, maar in verschillende delen van het lichaam terechtkomt. Hij verbindt dit aan ontstekingen, problemen in hart en hersenen, tromboses, auto-immuunreacties en een verzwakt immuunsysteem. Ook herinnert hij eraan dat het mRNA en spike-eiwit veel langer in het lichaam kunnen blijven dan aanvankelijk werd voorgesteld.
Bijl brengt daarnaast oversterfteonderzoek ter sprake. Hij verwijst naar een Utrechtse studie over de periode 2020–2022 en stelt dat daarin een grote oversterfte in westerse landen naar voren zou komen. Ook noemt hij een latere retractie van het artikel door de British Medical Journal. In zijn interpretatie past dat in een bredere ontwikkeling waarin onderzoek naar vaccinatieschade wordt tegengewerkt en wetenschappers die daar aandacht voor vragen worden geridiculiseerd, gecensureerd of geschorst.
Een terugkerend thema is dat volgens de gesprekspartners wetenschappelijke gegevens op zichzelf onvoldoende zijn om het publieke beeld te veranderen. Annys vertelt dat hij mensen uitgebreid van onderzoeksgegevens probeert te overtuigen, maar dat uiteindelijk bijvoorbeeld beelden van de sterfte in Italië tijdens de pandemie zwaarder blijken te wegen. Volgens hem hebben angst en emoties daardoor een grotere invloed gekregen dan rationele beoordeling van wetenschappelijk bewijs.
Ivermectine en andere behandelingen
Daarna wordt gesproken over ivermectine en hydroxychloroquine. De hosts vragen of deze middelen bewust zijn tegengehouden om ruimte te maken voor vaccins.
Bijl zegt dat hij zich in de ivermectinekwestie heeft verdiept en dat er meta-analyses waren waarin een lagere sterfte onder gebruikers werd gevonden. Hij erkent daarbij dat veel van dat onderzoek uit Zuid-Amerika, Afrika en Azië kwam en niet zonder meer representatief is voor West-Europa. Zijn belangrijkste punt is echter dat er geen reden was om het middel te verbieden.
Annys verbindt dit opnieuw aan de voorwaarden voor een noodtoelating. Als voorwaarde voor een dergelijke toelating noemt hij het ontbreken van een andere geschikte behandeling. Dat verklaart waarom bestaande geneesmiddelen tijdens de pandemie in een kwaad daglicht werden gesteld of buiten beeld raakten.
Ook hydroxychloroquine komt aan bod. Annys verwijst naar eerder onderzoek naar SARS-1 waarin een effect van hydroxychloroquine werd gevonden en stelt dat het opmerkelijk is dat een middel dat eerder als veelbelovend werd beschouwd tijdens de coronapandemie nauwelijks mocht worden toegepast.
Het verdienmodel van de farmaceutische industrie
Vanaf hier wordt het gesprek breder dan corona alleen. Bijl beschrijft de farmaceutische industrie als een sector die steeds meer op marktvergroting en winstmaximalisatie is gericht in plaats van op het ontwikkelen van geneesmiddelen met een substantiële meerwaarde.
Hij noemt daarbij het verschijnsel van zogenoemde me-too-geneesmiddelen: bestaande middelen worden slechts beperkt aangepast om opnieuw een patent te kunnen verkrijgen. Ook kunnen bestaande middelen voor nieuwe indicaties worden onderzocht om de commerciële levensduur ervan te verlengen.
Daarmee komt ook de mogelijke rol van geneesmiddelen als doodsoorzaak ter sprake. Bijl zegt dat dit moeilijk exact te kwantificeren is omdat dergelijke sterfte volgens hem onvoldoende wordt geregistreerd. Hij verwijst naar onderzoekers die geneesmiddelen zeer hoog in de rangorde van doodsoorzaken plaatsen. Tegelijk erkent hij dat de precieze positie onzeker is.
Volgens Bijl worden artsen onvoldoende opgeleid om de schadelijke effecten van geneesmiddelen en de kwaliteit van medisch onderzoek kritisch te beoordelen. Hij ziet ook problemen in de klinische onderzoeken die door fabrikanten worden uitgevoerd. De patiënt wordt daardoor na marktintroductie feitelijk onderdeel van een medisch experiment.
Wetenschappelijke tijdschriften en belangenverstrengeling
Een volgend belangrijk thema is het functioneren van de medische wetenschap zelf. De gesprekspartners stellen dat grote medische tijdschriften tijdens de pandemie hun vroegere kritische functie onvoldoende hebben vervuld.
Bijl verwijst naar John Ioannidis en diens eerdere werk over de onbetrouwbaarheid van veel medische onderzoeksresultaten, waarna Ioannidis hard werd aangevallen toen hij kritische standpunten innam tijdens de Covidperiode.
Annys wijst daarnaast op de belangenverstrengeling van academici en onderzoekers met de industrie. Als voorbeeld wordt een belangrijke publicatie over de coronavaccins genoemd waarvan de auteurs banden hadden met Pfizer. Het vertrouwen in dergelijke publicaties wordt zo ernstig ondermijnd.
Ook de British Medical Journal, die Bijl vroeger juist hoog aansloeg, komt ter sprake. Volgens hem is daarvan tijdens de pandemie weinig van het vroegere kritische vermogen overgebleven. De vermeende retractie van het Utrechtse onderzoek wordt daarbij opnieuw aangehaald als illustratie van de invloed die de industrie op wetenschappelijke tijdschriften heeft.
Medicalisering van het dagelijks leven
Het gesprek verschuift daarna naar een breder begrip: medicalisering. Volgens Annys wordt een steeds groter deel van het normale menselijke leven als medisch probleem behandeld. Hij noemt zwangerschap, menopauze en zonblootstelling als voorbeelden.
Daartegenover stellen de gesprekspartners meer aandacht voor preventie, leefstijl, voeding en andere niet-farmacologische benaderingen. Annys vertelt over ervaringen waarbij chronische klachten door aanpassingen in voeding sterk verbeterden, terwijl de reguliere medische wereld dergelijke ervaringen eerder als bedreiging dan als mogelijkheid tot aanvulling beschouwt.
De host vertelt vervolgens over eigen ervaringen met rugklachten en het gebruik van ontstekingsremmers, spierverslappers en pijnstillers. Na een bezoek aan een osteopaat zouden de klachten zijn verdwenen. Bijl reageert hierop met de kanttekening dat hij niet kan beoordelen hoe goed osteopathie wetenschappelijk is onderzocht, maar noemt het gebruik van ontstekingsremmers wel als voorbeeld van de schadelijke gevolgen van medicatie. Hij beschrijft uit zijn vroegere praktijk patiënten met ernstige maag-darmbloedingen door dergelijke middelen.
Peptiden en nieuwe medische technologie
Ook nieuwe behandelingen zoals peptiden worden besproken. De hosts vragen naar het gebruik van onder meer koperpeptiden voor huid, haar en herstel. Zowel Bijl als Annys geven aan daar weinig kennis van te hebben. Het gesprek gaat vervolgens kort over toepassingen die in het buitenland zouden worden aangeboden en over de vraag of dergelijke behandelingen door de farmaceutische industrie worden tegengehouden omdat ze commercieel minder interessant zouden zijn.
Dit wordt opnieuw verbonden met het algemene beeld van een gezondheidszorg waarin commerciële belangen steeds zwaarder wegen.
Regelgeving en de onafhankelijkheid van toezichthouders
Een ander terugkerend punt is de financiering van registratieautoriteiten. De gesprekspartners wijzen erop dat de FDA, EMA en nationale registratieautoriteiten in belangrijke mate worden gefinancierd door de industrie die zij moeten controleren.
Bijl ziet hierin een fundamenteel probleem: wanneer toezichthouders voor een aanzienlijk deel afhankelijk zijn van betalingen vanuit de industrie, ontstaat volgens hem een prikkel om veel producten te beoordelen en goed te keuren. De politieke controle moet daarom opnieuw worden versterkt.
Ook de Nederlandse politiek komt ter sprake. Bijl en Annys vinden dat daar te weinig kritische kennis aanwezig is over geneesmiddelen en de farmaceutische industrie. Er wordt gepleit voor meer politieke lobby vanuit kritische deskundigen en voor versterking van de regelgevende instanties.
De positie van de patiënt
Aan het einde van het gesprek verschuift de aandacht naar wat mensen zelf kunnen doen. Annys vindt het belangrijk dat patiënten hun arts kritische vragen stellen: waarom wordt een bepaald middel voorgeschreven, wat zijn de voordelen en nadelen, welke wisselwerkingen zijn er met andere geneesmiddelen en bestaan er goedkopere of oudere middelen die hetzelfde doel bereiken?
Ook zouden patiënten moeten kunnen vragen naar financiële belangen van artsen en onderzoekers.
Volgens Bijl bevinden patiënten zich daarbij in een kwetsbare positie. Wanneer een kritische vraag wordt beantwoord met iets als “Vertrouw je me niet?”, wordt volgens hem de patiënt zelf tot het probleem gemaakt in plaats van de vraag inhoudelijk te beantwoorden. Voor hem draait goede geneeskunde uiteindelijk om vertrouwen dat gebaseerd is op integriteit en eerlijkheid.
Het slot: een voorzichtige positieve verwachting
Het gesprek eindigt opvallend optimistisch. De hosts constateren dat tijdens de coronajaren veel mensen vanuit angst handelden en dat kritische geluiden weinig ruimte kregen. Toch beginnen steeds meer mensen inmiddels anders naar die periode te kijken.
Bijl waarschuwt wel voor een mogelijk tegenovergesteld probleem: dat mensen het vertrouwen in de reguliere geneeskunde en geneesmiddelen zó verliezen dat ze ook effectieve behandelingen gaan afwijzen. Hij maakt daarom onderscheid tussen de farmaceutische industrie en de geneeskunde als geheel. Er bestaan volgens hem wel degelijk zeer goede geneesmiddelen en medische behandelingen, en vooral de snijdende vakken kunnen volgens hem grote voordelen voor patiënten opleveren.
Annys ziet eveneens mogelijkheden voor verandering. In het laatste deel benadrukt hij dat niet iedere werknemer in de farmaceutische industrie onderdeel is van het probleem. Volgens hem geloven veel medewerkers oprecht dat zij bijdragen aan verbetering van de samenleving. Het probleem zit volgens hem in de structuur en de compartimentalisering: mensen zien slechts een klein deel van het geheel.
De gewenste richting is volgens hem daarom niet het afschaffen van de farmaceutische industrie, maar het opnieuw richten ervan op haar oorspronkelijke kerntaak: het ontwikkelen van producten die daadwerkelijk een meerwaarde voor de samenleving hebben. Winst maken wordt daarbij niet als probleem gezien, zolang die winst voortkomt uit maatschappelijke meerwaarde.
Bij de allerlaatste vraag over mRNA blijft Annys echter zeer kritisch over de technologie zelf. Hij ziet fundamentele problemen in de verspreiding door het lichaam, de controle over de productie van eiwitten en de mogelijke immuunreacties. Desondanks wordt de technologie verder ontwikkeld en toegepast.
Het beeld dat uit het gesprek oprijst is daarmee dat van een gezondheidszorg die gedurende tientallen jaren steeds sterker is verweven geraakt met commerciële, politieke en militaire belangen. Corona wordt binnen dat beeld niet gezien als een geïsoleerde medische crisis, maar als het moment waarop verschillende reeds bestaande systemen – biodefensie, farmaceutische industrie, regelgeving, wetenschap, politiek en media – bij elkaar kwamen. Fauci wordt daarbij vooral gezien als een zichtbaar onderdeel van dat grotere systeem, en niet als de centrale oorzaak ervan. De uiteindelijke hoop van de gesprekspartners ligt bij een herwaardering van kritische wetenschap, onafhankelijke regelgeving, een minder op geneesmiddelen gerichte geneeskunde en een mondiger patiënt.
