
Cohlers presentatie voor EIKE beperkte zich niet tot CO2. Cohler ontkrachtte naar eigen zeggen “een keten van elkaar versterkende aannames die ten grondslag liggen aan het Intergouvernementeel Panel inzake Klimaatverandering (IPCC)”. Hij stelde dat de mondiale gemiddelde oppervlaktetemperatuur, klimaatmodellen, de warmte-inhoud van de oceanen en de vermeende energie-onbalans van de aarde allemaal ofwel fysisch zinloos zijn, ofwel onvoldoende worden ondersteund door waarnemingen. De laatste schakel in deze keten, zo zei hij, is de toeschrijving door het IPCC van de stijgende CO2-concentratie in de atmosfeer aan menselijke activiteit.
De kernproef als natuurlijk experiment
Zijn belangrijkste bewijs met betrekking tot CO2 in de atmosfeer, komt voort uit wat hij het ‘bomb radiocarbon’-experiment noemde. Tussen 1955 en 1963 zorgden kernwapenproeven ervoor dat de hoeveelheid van de (chemisch identieke) isotoop koolstof-14, oftewel radiokoolstof, in de atmosfeer (en dus in CO2-moleculen) ongeveer verdubbelde. Bijna alle koolstofatomen in de atmosfeer zitten in CO2-moleculen.
Na de stopzetting van de atmosferische kernproeven begon deze overmaat aan radiokoolstof af te nemen. Omdat de oorspronkelijke ‘puls’ plotseling ontstond en de daaropvolgende afname in de atmosfeer gedurende decennia kon worden gemeten, beschouwt Cohler de radiokoolstof-registratie van de kernproeven als een ongewoon zuiver natuurlijk experiment. “De atmosfeer gaf ons het antwoord”, zei hij.
Cohler en zijn co-auteur Willie Soon analyseerden meer dan vijf decennia aan radiokoolstof-waarnemingen. Hun conclusie is dat de overmaat aan radiokoolstof een bijna perfect enkelvoudig exponentieel verval vertoont, met een karakteristieke tijdschaal van ongeveer 18,4 jaar. Hij stelt dit tegenover de veel langere tijdschalen die in de koolstofcyclus-modellen van het IPCC worden gehanteerd.
Dit onderscheid is cruciaal voor zijn betoog. De koolstofcyclus-berekeningen van het IPCC maken gebruik van impulsresponsie-functies die meerdere exponentiële componenten en een permanent aandeel van atmosferisch CO2 bevatten. Deze modellen impliceren bijgevolg dat een aanzienlijk deel van een CO2-uitstoot eeuwen of zelfs millennia in de atmosfeer blijft.
Cohler stelt dat de waarnemingen van koolstof uit atoombommen een dergelijke langlevende atmosferische component niet ondersteunen. Hij wijst er ook op dat de gepubliceerde koolstofcyclus-modellen van het IPCC hun karakteristieke tijdschalen en permanente fracties tussen de verschillende rapporten aanzienlijk hebben gewijzigd. Volgens hem zijn dergelijke veranderingen het bewijs dat de parameters het resultaat zijn van modelaannames en niet van onveranderlijke eigenschappen van de koolstofcyclus.
De meest opvallende vergelijking betrof de hoeveelheid koolstof-14 die na 54 jaar overblijft. Volgens Cohler voorspellen de modellen in de stijl van het IPCC dat tussen de 33 en 48 procent van een impuls zou overblijven, terwijl het waargenomen signaal van koolstof-14 uit atoombommen slechts op ongeveer 4 procent wijst.
Voor Cohler is dit geen kwestie van het verfijnen van een model. Het is bewijs dat de wiskundige structuur van het model fundamenteel verkeerd is.
Parallelle versus seriële koolstof-stromen
Cohlers kritiek reikt verder dan de numerieke parameters. Hij stelt dat de koolstofkringloop-modellen van het IPCC de koolstofreservoirs in de verkeerde fysische configuratie beschrijven.
De aanpak van het IPCC, zegt hij, behandelt de atmosfeer in feite alsof deze verbonden is met verschillende reservoirs die parallel werken, elk met een eigen vervalduur. Maar volgens Cohler is de fysische koolstofcyclus voornamelijk serieel: koolstof verplaatst zich vanuit de atmosfeer naar het oppervlaktewater van de oceaan, van daaruit naar diepere lagen en uiteindelijk naar de diepe oceaan.
Dat verschil, zo stelt hij, leidt tot radicaal ander wiskundig gedrag. In zijn interpretatie is de ‘long tail’ in de IPCC-modellen daarom niet iets dat in de natuur wordt aangetroffen, maar iets dat wordt gecreëerd door de wiskundige architectuur die aan de koolstofcyclus wordt opgelegd.
Dit is de sleutel tot Cohler’s bredere kritiek op het concept van cumulatieve koolstofbudgetten. Als een uitstoot niet eeuwen of millennia in de atmosfeer blijft, zo stelt hij, dan wordt de grondgedachte om de uitstoot van nu te beschouwen als een langdurige ophoping in de atmosfeer, fundamenteel anders.
Koolstof-13 biedt een tweede toets
Vervolgens richtte Cohler zich op de metingen van de isotoop koolstof-13, die hij presenteerde als een onafhankelijke toets van de radiokoolstof-analyse. Verschillende bronnen van CO2 hebben een verschillende isotopische ‘handtekening’. Fossiele brandstoffen bevatten bijvoorbeeld relatief weinig koolstof-13, terwijl natuurlijke bronnen zoals terrestrische ademhaling (terrestrial respiration) en uitgassing uit de oceanen, een andere handtekening vertonen. Als emissies van fossiele brandstoffen verantwoordelijk zouden zijn voor een aanzienlijk deel van de netto toename van CO2 in de atmosfeer, zo betoogt Cohler, dan zou de isotopische samenstelling van de netto-instroom bijgevolg steeds negatiever (dus met minder koolstof-13) moeten worden.
Hij haalde vervolgens een analyse aan van Demetris Koutsoyiannis die meer dan vier decennia beslaat, van 1978 tot 2022, op basis van metingen van vier luchtkwaliteit-meetstations op beide halfronden. Volgens Cohler bleef de isotopische signatuur van de netto CO2-toevoer ongeveer constant, zonder significante trend. Dat, zo stelt hij, is onverenigbaar met de veronderstelling dat de verbranding van fossiele brandstoffen de dominante bron is van de waargenomen toename.
Cohlers derde bewijslijn is een massabalans-berekening. Hij vergeleek de toename van CO2 in de atmosfeer met de totale natuurlijke en antropogene koolstof-instroom. In de door hem onderzochte periode, zo zei hij, steeg de totale jaarlijkse CO2-instroom van ongeveer 179 gigaton koolstof tot 241 gigaton. Het antropogene aandeel steeg van ongeveer 2,5 procent tot 4,7 procent van de bruto-flux, terwijl de natuurlijke instroom met meer dan 30 procent toenam. Het belangrijkste voor Cohler was daarbij dat de natuurlijke instroom de CO2-massa in de atmosfeer gedurende de onderzochte periode opmerkelijk nauwkeurig volgde.
Hij stelt dat deze drie onafhankelijke benaderingen – het verdwijnen van koolstof-14 uit de atoombom, de koolstof-13-signatuur van de netto-invoer en de massabalans – allemaal naar dezelfde conclusie wijzen: “De stijging van CO2 in de atmosfeer over een periode van 62 jaar is natuurlijk”, zei hij tegen het publiek. “De menselijke bijdrage aan die stijging is verwaarloosbaar.”
Aanval op grondslagen van de klimaatwetenschap
Cohler plaatste het CO2-argument in het kader van een veel bredere kritiek op het IPCC. Zijn presentatie was opgebouwd rond vijf “knooppunten” die volgens hem een cirkel vormen. Allereerst kwam de mondiale gemiddelde oppervlaktetemperatuur aan bod, waarvan Cohler stelde dat deze geen fysisch betekenisvolle grootheid is, omdat temperatuur een intensieve eigenschap is en de atmosfeer, oceanen en het landoppervlak van de aarde een heterogeen systeem in een staat van niet-evenwicht vormen. Vanuit dit uitgangspunt viel hij het kalibratieproces van klimaatmodellen aan, met het argument dat klimaat-modellen zijn afgestemd om een grootheid te reproduceren die geen eenduidige fysische definitie heeft.
Vervolgens trok hij de schattingen van het IPCC van de warmte-inhoud van de oceanen in twijfel, met name die welke zijn afgeleid van het Argo-observatiesysteem, en stelde hij dat de vermeende energie-onbalans van de aarde niet van nul te onderscheiden is zodra er op de juiste wijze rekening wordt gehouden met meet- en bemonsteringsonzekerheden.
Deze beweringen zijn van belang voor zijn CO2-argument, omdat Cohler het gehele kader voor klimaatattributie als een cirkelredenering beschouwt. Modellen worden afgestemd op berekende wereldwijde temperatuurgegevens; de modellen worden vervolgens gebruikt om de stralingsforcering en de energiebalans te schatten; die grootheden worden gebruikt om de toeschrijving van de opwarming aan broeikasgassen te onderbouwen.
De koolstofcyclus-modellen vormen de laatste schakel. Als deze modellen de verblijftijd van CO2 in de atmosfeer onjuist beschrijven, zo betoogt Cohler, dan verliezen de daaruit voortvloeiende berekeningen van het opwarmingspotentieel, de koolstofbudgetten en de trajecten naar netto-nul, hun fysische grondslag.
Een uitdaging met verstrekkende gevolgen
De presentatie ging daarom veel verder dan een discussie over de precieze omvang van de invloed van de mensheid op het CO2-gehalte in de atmosfeer. Cohler bracht een veel fundamentelere stelling naar voren: dat het dominante causale verhaal dat ten grondslag ligt aan het hedendaagse klimaatbeleid, is gebaseerd op wiskundige aannames die in tegenspraak zijn met directe waarnemingen. Of die interpretatie de toetsing door de bredere wetenschappelijke gemeenschap kan doorstaan, is een aparte vraag.
Source: https://clintel.nl/co2-atmosfeer-jonathan-cohler-niet-door-mens/
.
